Heitje voor een wijsheidje

De baard, mijn baard
al is ie kort van stof
kijkt me in de spiegel aan
elke ochtend en spreekt
in grijs en wit van jaren
van voorbije tijd
en hoeveel er niet nog zijn te gaan

Gedistingeerd, dat kun je zeggen
of hoe het afkleedt met gezag
maar vooruitlopend op de rimpels
en de stramheid van de ouderdom
blijft het de vraag of ’t genoegen doet
al blijft ie groeien, zij het wit, zij het grijs
alsnog een teken van leven
terwijl ik al kaler wordt
brengt het mij ergens en van de wijs.

Kletsnat

Met korte mauwen ging ik
– het was 4 augustus in de zomer –
in Holland op de fiets
een goed kwartier was het
naar m’n werk
waarvan bijna een minuut
in de regen, overvallen
door de zoveelste bui
nog net niet doorweekt
nog net droog ondergoed
– niet zeikenat –
een avontuur op maat.

 

’t is me wat

Straks ben ik – begin juli –
wel 3 weken vrij
dwz 3 weken vakantie
vrij van werk
in principe
in jaren niet en misschien wel nooit eerder
zo lang vrij van werk gevraagd en gekregen
gelukkig hebben we ook hier een gebrek
aan personeel, dus mocht ik
die vakantieduur niet trekken
zal ik wel zo kunnen inspringen

Vrij is anders.

Buitenshuis

Het ligt er maar
een hele wereld aan mijn voeten
een hartklop of wat verwijderd
van thuis
en ik weet niet
wat ’t bracht
of het wat bracht
toen ik mij nog begaf in den vreemde.

Seizoen, zo zei ze

Zag ik je al een week of twee geleden?
Zo vlug boven ’t kanaal. Zeker nog geen zomer.
Misschien een vroege vogel, zomaar een zwaluw

waar ik vanavond zeker was van mijn blik
weer een jaar verder dat jullie het niet laten
afweten en de al lange lichte tijd vraagt weer

met blote armen, luchtige kledij
de warme dagen tegemoet te treden
– dag in, dag uit –
met een oogopslag of wat.

foto Job Antoine

Een kamer met uitzicht – 4 mei –

Je kunt nog denken
hoe dan ook en wat je maar wilt
En al voel je je opgesloten
niemand anders belet je
die stap naar buiten zetten
in dat uitzicht
je plaats te veranderen
misschien ook wel je blik
en ontmoet je de wereld

Zovelen
die het met minder moeten
die niet meer konden
vast door de wereld buiten
alleen de binnenwereld vrij
en ook dat is nog maar de vraag

foto Job Antoine

Wat Uithuizen

Een dorp, daar in het Hogeland
van Groningen, waar ik heen-
ging, een jaar of acht, naar
de tweede klas van de CNS
– Christelijke Nationale School –
naar de Ripperdadrift waar
ik van rolschaatsen de kunst
onder de knie kreeg
van echt schaatsen op noren
en in die winter van ’77-’78
ik met een soort van vriendje
– Jasper Berkhout (?)-
een hut groef in de sneeuw
waar ik met pa met de slee
naar het dichtstbijzijnde winkeltje
toog, de Enkabe
voordat we verhuisden naar de Zuiderstraat daar
een koopwoning zelfs met gigatuin
dankzij de Beeldend Kunstenaar Regeling nog
voor mijn vader (stiefvader)
waar ik het onkruid tussen de tegels
verwijderen mocht (moest)
toen opa en oma ook van Amsterdam
weer in de buurt kwamen
– zo dichtbij leefden ze nooit eerder
maar ondertussen was ik ouder
en opa ook
en de tijd was snel vervlogen
en al helemaal dat ik opa als vader zag –
Altijd was ik er al een jaar ouder
dan mijn klasgenoten
– in de hoofdstad deed ik de 1ste klas
2 x, want eerst nog op de Vrije School –
en wist ik mij een plaats te verwerven
met wat kracht en behendigheid, min of meer
voordat ik met de boemeltrein afscheid nam
het eerste jaar naar het gym
het Willem Lodewijk, in stad.

ah, de zoetheid van sentiment, verlangen

naar de kleuren lila, mintgroen, oranje en geel,
naar een vloerbedekking van kokos tegels,
een houten salontafel met zwarte pootjes
een gietijzeren zwarte kachel
de koffiebonenmaler [ toen juist goedkoper nog ]
een balkon met uitzicht
op een voor de kleuter onmetelijk groene wereld
met zandbak, en de waslijnen,
vissen met opa
– als ik met oma een ijsje haalde bij de salon in ’t park
deed opa – hoe wreed ook – een visje aan mijn haak
[ hoorde ik dan weer een eeuwigheid later ] –
aan de crèche denk ik liever dan niet terug
[met de geur van doorgekookte kool]
ondanks de ligakoek
Geborgen, al verstopte ik me onder dekens
bang voor de wereld in het donker

Van de straat

Volgens mij zag ik er zelfs twee
op de weg terug in ieder geval één:
een kleine Grote bonte specht
zwart en wit met rode stuit

Een klein opvallend moment
in een oogwenk van geluk
gesproken, maar rood
is ook de wijn
en de specht, ook die klopte
deze keer niet.

Een punt, dat is de clou

Wist je het dan niet?
Wat het zou worden, als je
niet wist wat je wilde?

Een dood punt? Ja, dat kon ik
wel bedenken. Bij gebrek aan
hoop, vertrouwen en geloof
en misschien wel liefde ook

wist ik echter niet beter
dan uit armoede bij de dag
te leven, een soort van
kan je zeggen, om niet te zeggen:
overleven tot de toekomst
een tijd dat niet alleen
het hoofd vrij is in zijn denken
maar ook het hart vrijuit kan kloppen

en de mond volmondig zeggen kan:
het leven is niet vergeefs