Hoewel

Ietwat ernstig kijken daar
mijn veronderstelde ogen
in mijn veronderstelde gezicht
me aan. Ietwat geplaagd
Ook dat nog. Op zich
herken ik er wel wat in

Echter, alle voetstappen
die ik achter me heb gelaten
draag ik met mij mee
en ik wil er niet aan
dat ik mezelf omarm

Geen punt
Dat is het:
geen punt

waar mijn jongere ik, waar ik
een trui droeg met ruiten
waar ik haar had over mijn oren
waar ik nog zonder baardstoppels
voor een meisje kon doorgaan
waar opa mijn vader werd
– zolang als het duurde –

waar m’n hoofd mij overnam
al ging ik nog tekeer
eerst op m’n step
en met boog en pijl
die ik steeds weer brak
zo hoog mogelijk mikkend op de hemel
me later en wat ouder dan klasgenoten
een zekere plaats bevocht

waar ik me voegde
in de wereld
waar ik aan de wereld
ontsnapte door verhalen
van velerlei makelij

Stap voor stap
trekt het leven aan me
nodigt me uit
meer te zijn dan van glas

Misschien is een sterretje
zo gek nog niet
en geen punt

Schemeregel

Een egel bleek
dichterbij gekomen niet meer
dan de schaduw van een straatnaambord
die kruislings werd geworpen op de stoep
door het licht van de lantaarnpaal
in de J.M. den Uylstraat.

Bij de sluis

Bij het sluisje zag ik van achteren
een man staan
in plastic pak
alsof ie stond te piesen
zo in vol ornaat
maar hij stond alleen maar te hengelen
naar wat vis in een ieniemini wak
waarbij ie z’n hengel zo voor zich uitstak.
[Nee, geen foto]

Bij voorbaat had ik meelij
met de vis, die ging voor de bijl
aan de haak, in het droge, in het net
in de emmer, in de pan

Maar ook de vis is zo onschuldig niet
als die larfjes of ander leven eet
tot mijn nooit vergoten verdriet
Het leven is al leed en beet.

Ach ja

Zomaar, of eigenlijk niet zo
werd ik aangesproken aan de rand
van het Hoornsemeer, de uithoek ervan
door een jonge vrouw
– natuurlijk mocht ze me iets vragen desgevraagd –
of ze er wel zou kunnen schaatsen
want zomaar als niemand anders al op ’t ijs
dan vertrouwde ze ’t niet
en met mijn serieuze camera om mijn nek
en/of mijzelf
boezemde ik blijkbaar wat vertrouwen in
op een oordeel

waarop zich een gesprekje ontspon
niet van enige warmte gespeend
daar aan de rand van het ijs
waarbij ik haar aarzeling deelde
hoewel in de verte een eenzame schaatser
of twee
het ijs trotseerden met ogenschijnlijk gemak

– O ja, zo te vliegen, leek me heerlijk
maar ja, mijn knieƫn, mijn conditie
het was al 15 jaar geleden
dat ik op de ijzers stond –

Even verderop, gewoon rechtdoor zeg maar
ligt de echte Hoornseplas
in plaats van het Hoornsemeer hier
en daar is het niet zo diep ook

Zo fietste ze ervan door
na een wederzijdse wens van plezier.

Heupwiegen

Maar ik bleef staan
met nog een drankje in de hand
aan de kant
En de rest
was een feestje
waar men zich vermaakte
waar ik te lang bleef
geen idee hoe ik weg ging
hoe ik er weg kwam
maar ik weet nog
dat ik best wel had willen dansen
en zo meer.

 

Groot

Pap, wil je me
houd je me
sta je pal

tussen mij en de wereld
die ik zo klein als ik ben
nog niet zo vertrouw
die ik zo klein als ik ben
nog overweldigend vind

al klopt mijn hart
al ben ik groter
en weet ik wel
ken ik de woorden wel

en al schoot ik mijn pijlen
tot de boog brak
keer op keer
al scheurde ik met mijn step
over de brede stoep
de hoek om
tot waar mijn wereld ophield

Nog niet zoveel groter
moet ik maar mijn eigen pa zijn.

De pot

In mijn tweede jeugd aanbeland
– hoop ik met stille vreze –
wordt dat alras gelogenstraft
als ik moet
en de wc geduldig wacht
tot ik klaar ben met mijn plas
waaraan geen einde komt
overdreven gezegd.

Ach, kon de tijd maar de pot op
mij niet heus.

Uitgeput

Wacht! Wacht nou toch even!
Laat dit licht
bij het invallen van de avond
dat de wolken oplicht
banen trekt
en de waterspiegel kleurt

Deze dag begint nu pas te leven
Al was jij het niet
die het afweten liet
en boog je heldere dag
heen om mijn zwarte gat

Minder vaak taal ik meer
ernaar je te drinken
van zongewelde vruchten
in een fles, in een glas
over mijn tong naar mijn gemoed
dat alsnog de lichtheid proeft
van het leven van alledag

al is het
net zo ogenschijnlijk waar
als de wereld op de bodem van de put.

Een dag met corona +

Van 37,8 naar 39,0
Werk afgeblazen
Weer naar bed in de ochtend
Weer op voor de middag

Van wat koud naar warm
en zweten geblazen
Als een zombie
een online afspraak met webcam en al
die dus niet zo zinvol bleek

Dan weer alsof de koorts brak
en even hopen dat ’t daarmee was gedaan
maar allengs stijgt de hitte weer naar ’t hoofd

Toch nog een bord
rijst met broccoliprut gegeten
Met mijn labiele ik een flashmob bekeken
[ van deuntje en dansen op Zorba de Griek in Ottawa ]

om te breken
als mijn gebroken hart opspeelt
en zich dan niet laat ontkennen.
Te moe. Te moe
behalve voor een afwas voor ’t koken
en wat woorden tot besluit.

Aangeschoten maar niet wild

Licht versluierd, een bleke zon
scheen niet zozeer op mij neer
maar ook de wind hield niet over
Ik ging gezwind op strakke banden
– op mijn sportieve fiets –
en groette de joggers en de wandelaars
en wie al tegemoet kwam
Zo’n dag was het deze zondag

Als ik zou overdrijven
dan was het glazuur van mijn lach
van mijn tanden gespat
van blijdschap

Gelukkig was ik wel
maar zover kwam het toch niet
Ik denk goed van mijn tandarts:
tot haar verdriet
zal ’t toch wel niet zijn
De herfstbock smaakt fijn !