Langs de rand

Een cliché is het, zo’n voetstap op het strand
aan de vloedlijn, of meerdere
van volwassen grootte en ernaast
van die kleintjes van een kind
als ik erachteraan loop
voor de vloed
op enig moment
in mijn leven
verstild op kleine voet.

De vuurtoren werpt zijn licht
over mij heen en over alles wat zoal
verder nog is te vinden, uiteenlopend
van scheermessen, blaaswier tot een sandaal
van kwallen, een ton, touw, tot een geraamte
waar ik langzaamaan een voorbeeld neem
aan de dribbelende vogels met niets anders
dan leven tot de laatste slag.

Foto Job Antoine

Onderweg verheugd

Misschien verbeeldde ik me niet de zang
die ik al voetstaps hoorde
in de ochtend op weg
en al zag ik de bron, de vogel in de boomkruin
Het was toch zeker geen merel?
Was het dan een lijster?
Vragen die verbleekten bij de tonen
Vragen waar mijn oren niet om vroegen.

Herfst, achter in de middag

(vanaf het balkon)
Het meer ligt er weer bij
aan mijn voeten
Het zonnetje op mijn bolletje
laat me verkeren in de waan
dat ik nog jong ben
en misschien onschuldig bovendien
 
Met de zee vergeleken
blijven we allemaal piep.

 
 
 

Heiig

Nee, alleen bij hoge uitzondering
mag ik de heide en verder niet
het zandige landschap
wat alleen bij nadere bescchouwing
wat kleur heeft
wat in het hoogseizoen ervan
de grond drenkt in paarse saus
tenzij in avondlijk strijklicht van de zon
als zelfs het meest afzichtelijke gloeit
en mijn hart verwarmen mag.

Uit en te na

De wind over het strand, het zand
stuift en suist en dichterbij de rand
de branding bruist en de golven
uiteenvloeien, sissend schuim,

daarboven uit
het gejoel van kinderen in de verte
het schorre roepen van een meeuw
richt ik mij op, verhef mijn stem
en schreeuw

de zee maakt het niet uit
als ik het zout van mijn tranen
afspoel in het zout van de zee.

 
 
 

Droomvlucht

De nacht draait, het donker
valt zwaar, ik weet niet
hoe ver de sterren staan
hoe ver de zon die uit het zicht
is verdwenen op dit uur
van de waarheid wordt
geen spaan heel gelaten
van de droom, de boom
vindt in de grond zijn houvast
het water waar hij naar dorst.

 
 
 

Middagpauze

Het licht strijkt, waar de wind
haar sporen naliet, geknakte
takken en afgebroken takken
een mussenfamilie laat zich horen
een reiger vliegt op bij mijn nadering

ik hoef niet verder
onderbroken is mijn zoeken
dit begin van de middag.

 
 
 

IJsvrij op het strand

Langzaam komt ook het strand weer vrij
van de vorst en waar de zee bleef
aanspoelen, het zand aaneengekoekt
onbewogen bleef liggen, het stuiven
opgegeven, was het zichzelf niet meer
totdat de winter overwaaide.