Lichtjes bewogen

Ontelbaar, oneindig flonkerden speldepuntjes
in het licht van de voorlamp van mijn fiets
mij tegemoet in de schemering
boven het lichte sneeuwdek op de weg
op de terugweg; iets
om mee naar huis te nemen
al was ik daarbuiten al even thuis
in warme kleren gestoken
nauwelijks onder nul en een wind
die geen naam mocht hebben
Laat mij maar ademen op m’n gemak.

Beijzeld

Mocht ik een kabouter zijn met noren
dan schaatste ik op mijn balkon
van achteren tot aan voren
tot ’t niet meer kon
door de warmte van de zon.

Proost

Zolang het land maar niet altoos
onder water staat
Misschien kunnen we blijven, nog even
door te watertrappelen, te zwemmen
ons te laten drijven totdat het droog valt

En anders zit er niks anders op:
vooral van water gemaakt
enzovoort.

Herfsttijding

Laat het nog even niet stormen
nu de bomen zich tooien
in tinten vlammend rood en geel
en ook nog het resterende groen
van al het blad dat zover nog niet is

Mogen ze in deze nadagen van de zomer
hun blad loslaten
zoals het uitkomt in stilte
al is het in grijze dagen
met flarden zonlicht nu en dan
en optrekkende mist in de ochtend.

Om de as

Ook de aarde gaat wel langs
de rand van een afgrond
maar met een beetje mazzel
blijft het een aarde met lucht
met water en met vuur
en met leven ook
in vele gedaanten
méér dan groene soep
zolang die maar niet uit bocht vliegt

Gaat het echter
om onze soort, de mens, dat zoogdier
is het maar de vraag
of ze met alle kunst en vliegwerk
als enige tot dusver hier
kan ontsnappen aan de onvermijdelijke zon
of een zo korte tijd is beschoren
dat even later geen verhaal zelfs meer resteert.

Kon minder

Dat plantje bloeit toch mooi maar
zelfs al kan ie niet anders
al is het nog zo kortstondig
en die bij is er maar blij mee
– en welke andere bestuiver ook
al is ‘blij’ wellicht teveel gezegd –
maar ik blijf maar zitten met de vraag:
wie was er nou eerder,
de bloem of de bij?
Of hoe kwam dat zo allemaal
tot de wasdom die we nu kennen?

Ik houd het maar op:
geef leven de tijd en het komt er wel van.

Borstig spel

Twee roodborstjes dansten
om elkaar en met elkaar
op de grond
Dood blad stoof op
voordat ze voor mijn nadering
elk een kant opvlogen
– daar in het Sterrebos –
en ik maar met de vraag bleef
of het toch zo zijn mag
dat ze elkaar nog zullen mogen.

In memoriam in spe

Gisteren op mijn aanrecht
zat een witte kleine vlinder
– echt waar –
totaal onverwacht, ongedacht
Ik besefte haar (zijn?) aard pas
toen ik ‘r bij de vleugels greep
Wat daarmee aan te vangen in de winter?

Wat voor denken, gedachten
zou die eertijds verpopte rups hebben
en wat voor verlangens enzovoort?
Hoezeer ben ik zelf zo’n vlinder?

Levend wezen. Jazeker
Moest ik bloemen kopen vol nectar?
dat ik haar een lot gunde
dat haar niet beschoren was
en dan ook nog heel alleen

Direct doden is ook zowat
want zo levend
zozeer als mijzelf
hoe verschillend ook

En zozeer als ik dan leef
leeft ze dan toch vast anders
heel anders
en ik hoopte maar
dat de vrieskou buiten
(al was en is het uit de wind)
een zachte dood zou brengen

Of toch een wonder?
Zojuist nog leek ze haar vleugels
– ff checke –
een slag te bewegen
maar het kon ook een windvlaag zijn
{misschien heeft ze wel antivries?]

Voorbijgaande aard

Nog steeds ligt hier wat sneeuw
onderbroken door plukken land en gras
en de vele gestrooide straten en trottoirs
– maar mijn voetstappen kraken nog her en der
als ik op weg ga –
bij uitzondering
vergeleken bij het hoge noorden
en het allerdiepste zuiden aan de pool daar
en op die ene plek mag ik
de gele bloemetjes zien van winterakonieten
zo uit de wind
die nog waait uit het oosten.

Als het hout snijdt

Bel me maar
als Groenlands ijs is gesmolten
of in het onwaarschijnlijke geval
als ijsberen kunnen dansen op de noordpool

Bel me maar
als de Rijn is droog gevallen
of anders, heel misschien, wanneer
een elfstedentocht verreden wordt

Bel me maar
als de Amazone een woestenij is
of, mocht het zover komen
als rijkdom alleen nog iets is van puur natuur