Over lijden

Je zal maar
zo ver gevorderd zijn
op de ladder des levens
dat alles bijkans in de verte ligt
en in het verschiet
alleen de volgende sporten naar de hemel
verondersteld, verwacht
of uitzicht loos.

 

[ nav. het overlijden van Dries Van Agt en zijn vrouw ]

Kort dag

Opa sjouwde nog met kolen
voor de warmte in huis
Zijn oma werkte misschien ook wel
tien of twaalf uur per dag
ook als ze zwanger was

En haar grootmoeder en die dan weer
van haar, daar is het gissen
of ze wel dertig, veertig werden
al dronken ze licht bier als water
vertrouwd met poep en pis en zweet
om niet te spreken van goden, geesten
en wat dies meer zij, eeuwen lang

Zoveel, nee, zo weinig, levens terug
leefden mijn voorzaten
met net wat meer dan apen.

Heitje voor een wijsheidje

De baard, mijn baard
al is ie kort van stof
kijkt me in de spiegel aan
elke ochtend en spreekt
in grijs en wit van jaren
van voorbije tijd
en hoeveel er niet nog zijn te gaan

Gedistingeerd, dat kun je zeggen
of hoe het afkleedt met gezag
maar vooruitlopend op de rimpels
en de stramheid van de ouderdom
blijft het de vraag of ’t genoegen doet
al blijft ie groeien, zij het wit, zij het grijs
alsnog een teken van leven
terwijl ik al kaler wordt
brengt het mij ergens en van de wijs.

Vroem

Op weg zijn we
Op weg en nog lang niet op
de goede plek
de bestemming hebben we
wel in ons hoofd
maar we zien noodweer in de verte
een lawine die de weg blokkeert

Nou hebben we een rempedaal
Nou kunnen we die wel indrukken
en een andere weg inslaan
Maar ja, op deze snelweg
moet je ten minste honderd
en bovendien mag je niet keren
zo zeggen de borden voor je kop

Dus rijden we maar door
en zal de weg doodlopen
maar hebben we ons wel gehouden
aan de regels

Vroem.

Groene kerst

Dan branden we maar
een witte kaars of wat
De winter is een kat
in de zak met misbaar

In de vrede zit de klad
al voor het zoveelste jaar
Grove woorden, alles waar
Groter, grootst is het je-dat

Zoeken we ons welbevinden
in genoegen naar ons hart
om gebroken gemoed te binden

om zacht te maken wat is verstard
door wat de jaren inden
Leef licht! Leef op! Zo zingt de bard.

Geboerd

Weet je nog
dat je woorden spuide
bij de vleet zelfs
met een woordenschat
van hier tot ginder?

Weet je nog
dat je er nooit om verlegen zat
aan één woord genoeg had
om een verhaal op te dissen
met kop en ook nog met staart?

En je wist verhaal te halen ook
En het legde je geen windeieren
En dat dat je nu van pas komt
nu je met je mond vol tanden staat
al neemt de verzorger je die uit
voor de nacht.

Bezegeling

Het hart klopt maar
door, vooralsnog
en zolang laat ook het denken
het niet afweten
al kleunt het nog zo vreselijk mis
bij tijd en wijle
al leeft het op het laatst
op de sporen van verleden tijd

Ondertussen
is een kus nooit weg
van wie je vertrouwt.

Roeien met de riemen

In het licht van
al wat is opgetuigd aan
wetten, regeltjes, punten en komma’s
– in de drang naar objectiviteit
van gelijke gevallen, gelijk behandelen –
raakt rechtvaardigheid zoek
bij veronachtzaming van verschillen die er toe doen
van al wat toch niet gevangen kan
worden in de letter van de wet

Hoe lang nog is dat ’t minste van alle kwaden
van willekeur en kromspraak
van wie maar aan ’t roer staat
en de zaken slechten
al is het maar op punten en komma’s

Je zou ’t willen:
wijzen aan de macht en voor ’t zeggen
goden die alles wisten
en konden zien in ieders ziel

Maar die zouden ons niet overleven
Wellicht moeten de riemen vervangen worden
zo af en toe
en de roeiers gelijk.

Geput

Je valt in een omhelzing
in tranen
Je wilt niet alleen zijn
met je verdriet, met je vreugde
of je gaat al al te lang geharnast
en je weet niet meer
hoe je je dorst lest.

Allicht

En dan heb je van die momenten
dat het wel lijkt
alsof je met zevenmijlslaarzen
je een weg hebt gebaand
– of ten minste afgelegd –
door het leven
als je dan even niet stil staat
bij de tijd
opgebeurd dan wel zwaar te moede
lichtzinnig

[en achter de wolken schijnt de zon
en in het heelal is het dan weer donker
al schiet het licht er doorheen
tot het raakt ].