Vrijuit

Spreken is zilver. Zwijgen is goud
En roeptoeteren is lood om oud ijzer
En woorden uit haat en nijd luchten
lucht je opgeblazen hoofd op
en maakt harten koud

Laat mij maar ademen
in en uit, dat ik kan leven
en spreken en zwijgen kan
naar hartelust.

Heilbot

Al ben je niet voor één gat te vangen
als je er dan geen heil in ziet
geen been ook, noch brood
in ziet en geen gat ook
dan vang je bot
dat zwaar als een steen op de maag ligt.

Kaboem

Zomaar voorbij
zo kan het zijn
zolang het niet voorbij is
en je nog de wereld ontmoet:
een glimlach, een blik, een woord
een lichtval, verstilde nacht bij maanlicht
een gierende storm en bliksem
– die je niet treft dan –
een merel, een kikker als de tijd daar is
en kinderen
al spelen ze niet met met hoepels
en is ook hinkelen uit de tijd
– elastieken ?
Niks weegt zwaar
als het op het laatst maar licht is.

Geharnast

Daar ga je dan, daar ben je
voor iedereen te kijk
Je wapent je al bij voorbaat
zodat zwaardslagen afketsen
en pijlen van je afvallen
Niemand die je ziet.

De wereld in een notedop [Van alle markten thuis]

En, wat mag het zijn?
Deze keer wat appels en peren?
Of toch maar druiven?
Het is het seizoen wel niet
maar we hebben de beste bewaard
voor ’t laatst
Gisteren nog kwam er een mevrouw
speciaal voor, helemaal uit
Noordwolde
– en dat met al die omleidingen,
kan je nagaan –
Ja de appels zijn wel klein dit jaar
Het klimaat hè, het klimaat
Oh, is de kleine mee vandaag?
Ja, vrede zou wel een mooi goed zijn.

Waar genomen [sentiment]

Bloemen, zelfs een vleug
van bloesem. En het gekwinkeleer
van diverse soorten
vogels
en de wind langs mijn gezicht
opvallende bloempjes ontsproten
aan de stam van een boom gewoon
langs de kant van de straat
vrijwillig lopen tegen de zon in
– zonder hoofddeksel of zonnebril –
een schaterlach in het voorbijgaan
een vrachtwagen die me voorrang geeft
een glas wijn
een open einde.

Nabij

Laat het je warmte zijn
– leven, bloei –
dat ik voel
al kruipt het tussen kieren en barsten
al is het over afstanden van zover
ik weet dan
jij bent mij ook zoals ik jou
al zijn we nog zover
al verschillen we nog zoveel
als ik je warmte voel
branden we licht
al is het op.

Ongegrond

En dan val je
na het eten
of met bord op schoot
en na thuiskomst even op internet
Dan val je
in het nieuws
Dan val je

En dat is dan niets nog
met hoe diep en zwaar zij vallen
in oorlog
waar vaste grond
onder hun voeten weg is.

Ongeloof

Ik wens dat ik kon bidden
tot zo Iemand – met een hoofdletter –
die alles goed kon maken
al was het nog zo slecht
Maar mij rest niets dan wensen
en soms een kaarsje of wat
alsof ik bid
terwijl ik het allemaal niet meer weet.