Wonder

Wat doet het er ook toe
als je te dik bent
als je slecht ter been bent
één been hebt
te arm bent

Wat doet het er toe
als je huid gerimpeld is
als je niet uit je woorden komt
als je ziek bent

als wat je zegt
spreekt
als je blik
leeft

Zoveel schelen we niet:
ter wereld gekomen
allen op een haar afstand
van de dood
van ongenaakbaar leven.

Straks wordt het weer zomer

In een oogwenk voorbij
In een oogwenk waar van alles
kan gebeuren, maar niks terug
gedraaid. Niks en ledig als alleen
al een laken teveel is. In de hitte

een oogopslag, een blik een aanzet
om alles te vergeten, alles
vergeefs is, te geef is
in parelend zweten
volledig begrip
in een oogopslag
in een woord
in handgebaar
en meer

Straks wordt het weer zomer

– als ook dan er gewassen zal moeten worden
strijk en zet.

Ruitenwisser

Wie wil er nou niet
wat mooi is, wat helder en goed?

Jammer is het dan wel weer
dat jouw mooi en zo niet de mijne
is, hoewel, dat is anderzijds
wel mooi op zich.

Hoe zou je anders de ware ontmoeten?
En was het dan geen dooie boel?

Wat mooi is voor de één
kan het ultieme zijn voor een ander

Alleen wil ik wel zeggen:
wat mooi is, daar kan je mee, of méér mee, vooruit.

Om het even

Een paar seconden
minuten, uren
nog
en dan is het zogenaamd weer
– bij alle weer –
– donner en wetter volgens kapitein Haddock –
een nieuw jaar
en ik maar denken
dat elk moment de tijd
een nieuwe tijd
aanbreekt

– beter dan om niet te blijven proosten
– dat dan weer niet –
maar ergens is het wel zo
hoe je het ook went of keert
dat al het verleden voorbij is
du moment
stante pede
nu
maar
niks is zomaar weg
al is alles verleden tijd

– Misschien gebeurt er iets, zoiets
als een storm, een verzadiging, een teveel
waardoor een dam breekt
een lawine een pad baant
met alle zeer vandien
dat alles alsnog open ligt
of ten minste één weg
om voort te gaan
voetsporen naar eigen zin.

Ongekend

In gruzelementen, in duigen, geen idee
van richting, geen reden; zo in leven
dan wil ik mij laten gelden, dat ik ben
niet niets, niet om over het hoofd te zien

zonder talent om me uit te drukken
in taal, muziek of beeld
dan grijp ik het naaste
vergrijp ik me aan mijn naaste
grijp ik naar geweld

Breek ik af wat heel is
Ik sta buiten dat geheel
Nietig ben ik, zegt de wereld?
Laat mij dan ook maar vernietigen
Laat de wereld dan maar barsten

Of leer mij kennen
Laat mij leren
Laat mij toe.

[ Of het op mij slaat?
Ik ben Job. ]

rellen geldingsdrang vernielingen vernietigen

Moment

Zolang ik ’t maar niet weet
zolang ik mijn ogen maar
ervoor kan sluiten
er niet bij stil sta
dat ik eigenlijk over drijfzand loop
dans op de spreekwoordelijke bodem
dat mijn vliegen een vrije val is
dan weet ik mij in leven
(al is het tegenstrijdig)

Bij de sluis

Bij het sluisje zag ik van achteren
een man staan
in plastic pak
alsof ie stond te piesen
zo in vol ornaat
maar hij stond alleen maar te hengelen
naar wat vis in een ieniemini wak
waarbij ie z’n hengel zo voor zich uitstak.
[Nee, geen foto]

Bij voorbaat had ik meelij
met de vis, die ging voor de bijl
aan de haak, in het droge, in het net
in de emmer, in de pan

Maar ook de vis is zo onschuldig niet
als die larfjes of ander leven eet
tot mijn nooit vergoten verdriet
Het leven is al leed en beet.

Durf

Mijn hele leven taal ik eigenlijk
wel naar
– en wie niet –
naar wie me aanspreekt
naar mezelf
en dat we dan onszelf zijn
zo met elkaar.

God mag het weten

Wat als je eenmaal
niet meer overeind kan komen
– en dat komt, of
men weet hoe cellen werken
en kopieën maken, echte kopieën, zondermeer –
en je bent aangewezen
op een buur, op een broeder of twee
van de ambulance of van zo’n politie
of een zorger uit de mantel
– of uit de hoge hoed –
of misschien over enige jaren
– ik hoop dat ze leuk zijn –
een twiedeldiedum bliep bliep
versie 103.7348
waaraan je je wel degelijk hebt gehecht

wat als alles niet meer helpt
en je bezwijkt
aan de teloorgang van jezelf?

Groot

Pap, wil je me
houd je me
sta je pal

tussen mij en de wereld
die ik zo klein als ik ben
nog niet zo vertrouw
die ik zo klein als ik ben
nog overweldigend vind

al klopt mijn hart
al ben ik groter
en weet ik wel
ken ik de woorden wel

en al schoot ik mijn pijlen
tot de boog brak
keer op keer
al scheurde ik met mijn step
over de brede stoep
de hoek om
tot waar mijn wereld ophield

Nog niet zoveel groter
moet ik maar mijn eigen pa zijn.