Wonder

Wat doet het er ook toe
als je te dik bent
als je slecht ter been bent
één been hebt
te arm bent

Wat doet het er toe
als je huid gerimpeld is
als je niet uit je woorden komt
als je ziek bent

als wat je zegt
spreekt
als je blik
leeft

Zoveel schelen we niet:
ter wereld gekomen
allen op een haar afstand
van de dood
van ongenaakbaar leven.

Om het even

Een paar seconden
minuten, uren
nog
en dan is het zogenaamd weer
– bij alle weer –
– donner en wetter volgens kapitein Haddock –
een nieuw jaar
en ik maar denken
dat elk moment de tijd
een nieuwe tijd
aanbreekt

– beter dan om niet te blijven proosten
– dat dan weer niet –
maar ergens is het wel zo
hoe je het ook went of keert
dat al het verleden voorbij is
du moment
stante pede
nu
maar
niks is zomaar weg
al is alles verleden tijd

– Misschien gebeurt er iets, zoiets
als een storm, een verzadiging, een teveel
waardoor een dam breekt
een lawine een pad baant
met alle zeer vandien
dat alles alsnog open ligt
of ten minste één weg
om voort te gaan
voetsporen naar eigen zin.

Ongekend

In gruzelementen, in duigen, geen idee
van richting, geen reden; zo in leven
dan wil ik mij laten gelden, dat ik ben
niet niets, niet om over het hoofd te zien

zonder talent om me uit te drukken
in taal, muziek of beeld
dan grijp ik het naaste
vergrijp ik me aan mijn naaste
grijp ik naar geweld

Breek ik af wat heel is
Ik sta buiten dat geheel
Nietig ben ik, zegt de wereld?
Laat mij dan ook maar vernietigen
Laat de wereld dan maar barsten

Of leer mij kennen
Laat mij leren
Laat mij toe.

[ Of het op mij slaat?
Ik ben Job. ]

rellen geldingsdrang vernielingen vernietigen

Moment

Zolang ik ’t maar niet weet
zolang ik mijn ogen maar
ervoor kan sluiten
er niet bij stil sta
dat ik eigenlijk over drijfzand loop
dans op de spreekwoordelijke bodem
dat mijn vliegen een vrije val is
dan weet ik mij in leven
(al is het tegenstrijdig)

God mag het weten

Wat als je eenmaal
niet meer overeind kan komen
– en dat komt, of
men weet hoe cellen werken
en kopieën maken, echte kopieën, zondermeer –
en je bent aangewezen
op een buur, op een broeder of twee
van de ambulance of van zo’n politie
of een zorger uit de mantel
– of uit de hoge hoed –
of misschien over enige jaren
– ik hoop dat ze leuk zijn –
een twiedeldiedum bliep bliep
versie 103.7348
waaraan je je wel degelijk hebt gehecht

wat als alles niet meer helpt
en je bezwijkt
aan de teloorgang van jezelf?

De pot

In mijn tweede jeugd aanbeland
– hoop ik met stille vreze –
wordt dat alras gelogenstraft
als ik moet
en de wc geduldig wacht
tot ik klaar ben met mijn plas
waaraan geen einde komt
overdreven gezegd.

Ach, kon de tijd maar de pot op
mij niet heus.

Wat zal ik?

De dood is nog ver weg
– ga ik vanuit, vooralsnog.
En al heb ik dan geen whiskeyglas
– noch whiskey om te schenken –
het gemoed wil overstromen
over de rand en vloeien
al heb ik dan geen glas
waar ik ’t leven uit drinken mag
ook met lege handen mag ik

Met lege handen mag ik
mijn schreden richten
zelfs doelloos
zelfs stil
mag ik

Alles mag
van de wereld
zelfs al zeggen ze van niet

Zonnen en manen
laten het onverschillig
– van de meesten is het licht
nog onderweg, al zijn ze weg –
of ik leef en wat ik zoal vermag
in die leegte
verluchtigd met leven, met elk deeltje
wat ook maar beweegt

Wat je ook beweegt:
de troost is schraal
als je haar van buitenaf beleeft

Van binnen is het een ander verhaal
een verhaal, inderdaad.

Leven

O ja, het lichaam dicteert
zelfs als het hoofd vraagt
of het allemaal wel echt is
wellicht een spel van schijn
of als dat verstand zover
gaat dat het zo is:
een spiegelpaleis van beelden
afschaduw van de werkelijkheid

Echter, niks laat zich ontkennen
en ontsnappen is méér een illusie
dan het hoofd zich wel voorstelt
De modder, de vloed en de zon
en de maan en jouw ogen
en je zweet
en de schrammen en blauwe plekken
en je tranen en je lach
en je verlangen naar zoet
en naar wat al niet meer
om je te verliezen
en de spieren en gewrichten
die niet meer zo willen
het oog dat het ook al niet meer goed doet
de vreugde om een behaald doel
en het verlies
het altoos nakende verlies
dat doet reiken naar het volgende moment

Wat je ook wilt
Wat je ook denkt
Geen ontkomen aan

Sporen

Land ligt daar, ligt klaar
voor je eerst stap
al ligt het al eeuwen betreden
vol sporen en luchtkastelen
geboren uit zilt
– je weet niet half hoezeer –
van water en stof
van de lucht, begeesterd
door ’t vuur van de zon
door dag en door nacht
klein, hoe groot je ook bent

Tel de dagen niet
niet jaren, niet de uren
Tel niet, leef
op de klop van licht en donker
Je laatste adem komt vanzelf wel
al zal je die nooit kennen

Moge je zijn
als een lach met een traan.

Onderweg

Nee, niet daaronder, begraven onder
asfalt of beton, of onder klinkers van de straat
En als ik omzie, dan keer ik niet weerom
al sta ik stil terwijl ik voortga
of ga ik voort terwijl ik stil sta
– de tijd mag het weten

De horizon lonkt niet
De grond lijkt nog vast onder mijn voeten
In de ochtend mag ik vogels horen
’s avonds zwaluwen zien scheren boven het watervlak
Door mijn verrekijker zie ik alleen maar zwart
het zwart van de doppen voor het glas

Ik haal die er niet af
tracht mijn ogen maar uit te kijken
als ik niet slaapwandel
en het leven droom.