Laat me eens denken
wat ik jou kan geven
Laat me ’s voelen
hoe mijn hart klopt voor jou
Zonder enig iemand
kan ik wel stappen zetten
kan ik mijn handen wel reiken
al is het in leegte, tevergeefs.
Laat me eens denken
wat ik jou kan geven
Laat me ’s voelen
hoe mijn hart klopt voor jou
Zonder enig iemand
kan ik wel stappen zetten
kan ik mijn handen wel reiken
al is het in leegte, tevergeefs.
Dag voor dag
word ik steeds een dag
ouder. Sta ik er
niet altoos bij stil
of zeg ik gedag
bijvoorbeeld tegen pa of ma
tegen wie ook maar mij na staat
Ondertussen word ik kaler
en zo nog wat meer
Wat zal ik
als ik echt oud ben, zo oud
dat ik er alleen voor sta, voor ’t leven
als ik alleen
alleen nog naar adem kan happen?
Nee, ik hoefde het me
niet af te vragen waarvandaan
de schelpen kwamen
die ik daar tegen kwam
om ze te zien liggen
als lege omhulsels, desalniettemin
als parels, als raadsels, als vormen
om tot me te nemen
op een strand
zij het leeg, zij het niet zo
tegen een blauwe lucht, tegen
egaal grijs of gewoon maar bij zonsondergang.

Bind mij er maar één voor
voor de ogen. Dan rest nog
alleen wat ik hoor, wat ik voel
om van reukzin niet te spreken
Ik kán niet meer. Misschien
zo af en toe trek ik even
die blinddoek omhoog
om in ’t voorbijgaan te kijken
naar de wereld, hoe de wereld
er aan toe is, wat er zoal
zich afspeelt, zich voltrekt, zich blind
in de afgrond stort, wapperend
met armen wijd als vleugels
dansend op benen als op vast grond.
Loop je daar zomaar
voorbij en ik wist
geen woorden te vinden
al keek ik je aan
en mijn ogen uit
Zo gaat dat
als een stokstaartje
een oogje heeft op een gazelle
als een (Jonathan Livingston) zeemeeuw
verblind wordt door een ijsbeer
Het hart is groot
Het hoofd nog groter
En leven is sowieso aan de orde
(Hoe? Dat laat zich raden.)
Strakjes ben ik er
niet meer, evenmin als jij, evenmin
als wie dan ook, wat dan ook
en in de tussentijd
ben ik maar beter
– de wereld daargelaten
en al dies meer zij
Is het net in pak
is het in rok, een jurk met armen
bloot en huppelend over ’s heren wegen
of bedachtzaam op je gemak
laten we elkaar
in de ogen blijven kijken
warmte voelen, warmte geven
bij leven.
Dat kan dus ook
dat je een nieuw jaar ingaat
zonder vader en zonder moeder
of zonder wie ook maar hun rol vervulde
Dat kan dus ook
dat een nieuw jaar je overvalt
waar geen plaats meer is
voor je zoon of dochter
behalve in gedachten
Dat kan dus ook
dat een nieuw jaar zich aandient
en je je nauwelijks gedragen weet
door wie dan ook of wat
en trek je je aan je haren omhoog
en heb je nog warme woorden over
zolang je nog wat open staat
en de wereld en de mensen nog wat
binnen laat.
Ergens toch
moet ’t wel eindeloos zijn
op dat kruispunt van ruimte en tijd
waar geen van beide er meer toe doen
Ergens toch
moet ik me wel kunnen verliezen
– bij leven; laat dat een punt zijn –
in een moment
misschien wel ook in jouw ogen
Mocht ik hoge ogen gooien:
lachte het geluk me wel toe
al begon het met een vingertip.
Vroeger wilde ik liever indiaantje spelen
dan een cowboy. Soldaatje kon ik velen
Naast lezen wilde ik best meedoen
al was het zonder klapperpistool toen
Vuurtje stoken, schieten met proppenbuizen. Ook dat
Zelfs trekbommetjes heb ik geloof ik ooit gejat
Bij opa en oma uit logeren: nieuwjaarsdag
waar de straat met rood bezaaid lag
Fascinerend toch al dat licht en geknal
Voor even, voor iedereen, is het bal
machtig, groots, samen onoverwinnelijk
lotgenoten van de tijd, onverbiddelijk.
#’t beste

Heel de wereld
stukje bij beetje
misschien dat dan zo’n beetje
je wat kan helen
enigszins
wat stuk is
al is het met littekens
die je blijft dragen.