Zien

Op pad op weg door de stad
uitgekiend de verbindingswegen gemeden
langs het kanaal, langs de wijkvijver
en dan opeens een kleine groene oase
waar ik de geur van dennen weer
elke keer mag ruiken
en waar een gouden hond tegemoet
kwam kwispelen en groette met natte neus
aan mijn hand
en ik voor een moment zo goed als zen.

Kaboem

Zomaar voorbij
zo kan het zijn
zolang het niet voorbij is
en je nog de wereld ontmoet:
een glimlach, een blik, een woord
een lichtval, verstilde nacht bij maanlicht
een gierende storm en bliksem
– die je niet treft dan –
een merel, een kikker als de tijd daar is
en kinderen
al spelen ze niet met met hoepels
en is ook hinkelen uit de tijd
– elastieken ?
Niks weegt zwaar
als het op het laatst maar licht is.

Barsten

Vermoeid stuurt mijn hoofd
mijn gedachten her en der
heen, voor zover het
nog tot zover komt.

Ondertussen neemt mijn hart
– vader en moeder van
mijn verlangen en mijn tranen –
de gelegenheid te baat
en wurmt zich, ontworstelend
aan het toom van mijn denken,
naar boven en vraagt
en vraagt en vraagt

vraagt los te gaan
met de golven mee .

Waar genomen [sentiment]

Bloemen, zelfs een vleug
van bloesem. En het gekwinkeleer
van diverse soorten
vogels
en de wind langs mijn gezicht
opvallende bloempjes ontsproten
aan de stam van een boom gewoon
langs de kant van de straat
vrijwillig lopen tegen de zon in
– zonder hoofddeksel of zonnebril –
een schaterlach in het voorbijgaan
een vrachtwagen die me voorrang geeft
een glas wijn
een open einde.

Inval. Overval. Uitval.

Jongen, het gaat niet aan.
Nee, dat klopt. Maar gaat dus tóch mooi door
al is mooi in dit verband
een doekje voor het bloeden
van de zoveelste wond in de loop van de tijd
van jongens en meisjes, van mensen voor zover
ze oud worden, misschien volwassen en heel soms wijs

Daar zijn we nog lang niet klaar mee dan
Nee, dat klopt. En het gaat toch ook móói door
zolang we elkaar maar blijven zien
een hand kunnen geven of meer
het moeten voorbij.

Nabij

Laat het je warmte zijn
– leven, bloei –
dat ik voel
al kruipt het tussen kieren en barsten
al is het over afstanden van zover
ik weet dan
jij bent mij ook zoals ik jou
al zijn we nog zover
al verschillen we nog zoveel
als ik je warmte voel
branden we licht
al is het op.

Onmacht is een gedeeld goed

Nog eentje dan? Nog een woord?
Iets van zin? Betekenis?
Of toch maar nóg een hapje van de mousse?
Of liever een hand, een arm
om je schouders?

Woorden bij de vleet
juist als er geen woorden zijn
die recht doen
Soms zijn die woorden niet meer
dan een vorm van zwijgen
van ons mensen
die nu eenmaal hoofden hebben en tongen.

Verloren

Ergens ben ik kwijt geraakt
wat ik had willen zijn wellicht
waar ik hoop had
al was het al nooit meer
dan een vergezicht in de mist
en bezag ik mijzelf ook niet zozeer.

In gods naam [deel uitmaken]

Als het zo uitkomt
wil ik bij gelegenheid
nog wel ’s leven; alleen
voordat ik dat maar kon zeggen
was er alweer een oogwenk voorbij
in het licht van de zon bekeken
om niet te spreken van melkwegs leven

Toch worstel en lach ik bij
tijd en wijle, daar en vooral hier
op dit stukje aarde
dat ik deel.

Om niets

Nog een rondje. Nog ééntje.
En nog een rondje om.
De winter kwam, daarvoor nog de herfst
De zomer laat zich raden. De lente ook

Weldra breekt die aan:
nog één rondje om
de zon, al beginnen de dagen
te tellen. Jong was je, ben je
als de zon opkomt en weer ondergaat
als de nachten en de dagen
je overkomen en je doet er niet aan
aan nog een rondje om
als alles al rond is.