Dag

In gezelschap
sinds een maand of wat onder
handbereik, een hele wereld
aan smaak; jij bent er niet
noch jij, noch wie ooit mijn
aandacht had, mijn hart

Voor nu hef ik dan het glas
al ga ik vanavond weg
ook van mijzelf, juist
van mijzelf, al komt
daarmee de wereld alleen
binnensijpelen
en iedereen daarbij
om op te lossen bij het aan-
breken van weer een dag.

Bliep-bliep

O, nee toch
niet overal, lang niet overal
noch alle dagen
trad de mens de aarde met voeten
waar die nu bivakkeert en raast en vliegt
zonder besef van waarvandaan
anders dan uit de moeder en van de vader
zonder besef van waarheen
anders dan dat ten minste dit hier en nu stopt
op een gegeven moment

en dan steeds maar met alles wat ons is gegeven
er zoveel mogelijk van te maken, van dit leven
met horten en met stoten
het je eigen maken
een sprookje
over en uit.

In zo’n bui

Heerlijk fijn veilig
onder mijn eigen paraplu
Er was eens een bui, in de tijd
dat ik nog onder die van mam
op straat de poppetjes zag op-
springen en dansen, zo
uitbundig al was hun alleen
– maar met met zovelen, met
onnoemelijk zovelen tegelijk –
een leven beschoren, een fractie
van een seconde, zo kort
zo, een leven later
leef ik alweer op nu
onder mijn eigen paraplu.

Dans

Dansen? Met mij? Je bedoelt met mij?
Wij samen? Jij en ik? Alsof we
even de tijd doden, in vergetelheid
en onbevangen elkaar echt zien
alle opsmuk voorbij en dat we
elkaar weten te raken zonder woorden
meer nog: zonder elkaar te raken elkaar
aan te voelen zonder meer en om en om
elkaar geven en heen en terug
dat jij lacht, dat ik lach, met ons hele wezen
bij elkaar en zweven in de lucht
bij elkaar en in de greep van de aarde
temeer nog
als onze vingers kruisen en de warmte
van elkaar ons weet in te lijven
in een dans van heupen, mond en ogen
naar elkaar?

Dan, o ja, dan ben jij degeen
van wie ik nooit dromen wou
van wie ik dromen zou.

 

Zien

Op pad op weg door de stad
uitgekiend de verbindingswegen gemeden
langs het kanaal, langs de wijkvijver
en dan opeens een kleine groene oase
waar ik de geur van dennen weer
elke keer mag ruiken
en waar een gouden hond tegemoet
kwam kwispelen en groette met natte neus
aan mijn hand
en ik voor een moment zo goed als zen.

Geen zin om te slapen, enerzijds, anderzijds

Wacht even. Een moment nog
al houdt de slang van vermoeidheid
me in zijn greep, grijs en oud, geslepen
Laat me ten minste nog dit mee-
krijgen en geven voor de nacht aan
om nog uit mijn dagelijkse dag te peuren
wat toch ergens in de boezem ligt
tussen het hartkloppen door

[heen]
Ik ging mijns weegs nog door de ochtendmist
de stad was zo stil en je kon de lente
al bijna raken. Veel merels en in de schaduw
van het bosje met de daslook was
de dode reiger weg en op vermolmde stammen
vieren zwammen met brede hoeden hun feestmaal

[terug]
Ik ging mijns weegs en verwelkomde zonnebaders
en menigeen in korte mouwen verleidde mij
tot het uittrekken van m’n suède nachtblauwe jas
op weg voor het weekend voor de open brug
op mijn gemak op weg
naar een geleverd zwangerschapskussen
waar ik een verzwaringsdeken had besteld
en met gemak heb terug gestuurd
met drie keer dan het vriendelijk meisje
van de balie van de super tot gevolg
– alle kleine beetjes helpen –

[uitgedoofd]
de slaappil – nu een week – zet geen zoden aan de dijk
in mij houdt genoemde slang nog steeds zijn leger
maar ergens in me schuilt muziek, is het warm en geborgen
wie weet houd ik ‘m deze keer toch in toom
en bovendien gaat het regenen
en een wekker zetten hoeft ook al niet
Ik zie een beetje uit naar morgen.

Vrijuit

Spreken is zilver. Zwijgen is goud
En roeptoeteren is lood om oud ijzer
En woorden uit haat en nijd luchten
lucht je opgeblazen hoofd op
en maakt harten koud

Laat mij maar ademen
in en uit, dat ik kan leven
en spreken en zwijgen kan
naar hartelust.

Heilbot

Al ben je niet voor één gat te vangen
als je er dan geen heil in ziet
geen been ook, noch brood
in ziet en geen gat ook
dan vang je bot
dat zwaar als een steen op de maag ligt.

Vooralsnog

Het is niet goed
houd ik in mijn achterhoofd
als ik nog ’s een stap zet
nog ’s verder op de ingeslagen
weg voortga en de bloesem van nu
me bedwelmt en ik vergeet
zowel gisteren als het hele verleden
daarvoor en dat er een morgen
aanbreekt, die van geen betekenis is
– morgen: een moment of een eeuwigheid
in de toekomst gelegen
waarvan het bestaan zich nog moet bewijzen –
Maar ik vergeet met reden
Ik weet geen uitweg uit dit heden.

Misschien, als ik me een spiegel voorhoud
zie ik iets in de hoeken, in de gaten
weet ik mijn spiegel-
beeld te verlaten ?