Een koud staaltje van

Woorden schieten te kort
waar op dat wereldtoneel
degenen het woord voeren
die het beperken tot het recht
van de sterkste, van het eigen
gelijk, met macht omgord

die geen zier geven
om ’t welzijn anders dan van hen zelf
om van oprechtheid niet te spreken
uit op eigen gewin, garen spinnend
bij chaos, bij verdeeldheid ongeacht
wat dat ook maar kost aan levens
in figuurlijke of zelfs letterlijke zin
zolang ze hun eigen zin
maar krijgen, hebben, houden

Zou je voorbeelden van despoten
willen uit de geschiedenis van de mens
het is weer makkelijk monsters te nemen
de laatste tijd.
.
.
.
.
[ nav. ontmoeting Zelensky met Trump en de zijnen 28 feb. 2025 ]

Overpeinzing over haat

Haat is blind. Maar wat als degene die haat zelf ontkent dat men haat, maar zegt alleen maar te spreken van de waarheid? Of misschien wel toegeeft dat men haat, maar ontkent dat men (ver)blind is, maar juist de waarheid, ’t gelijk, in pacht heeft, méér ten minste dan die anderen die men zo haat.

Haat valt te begrijpen: als jou of je naasten – met wie dan ook je maar als je naaste ervaart of ziet – vreselijks wordt aangedaan, dan is haat, blinde haat, een gewoon menselijke reactie. Vanuit aangedaan (onnoemelijk) leed en pijn kan het makkelijk zover komen.

(Tuurlijk kun je proberen zelfs met zulk onnoemelijke wrede pijn op zo’n manier om te gaan dat je niet vervalt tot haat. Een alternatief, wellicht ook niet de beste manier, voor haat is je terug trekken, steeds verder, of misschien zelfs wel helemaal uit dit aardse bestaan. Er zijn er die “kiezen” voor ’t laatste en dan ook maar zoveel mogelijk anderen willen meenemen: alles om maar “gezien” te worden, om je “gezien” te weten. Je gezien weten, letterlijk of figuurlijk, geeft een gevoel van ten minste énige zin aan en van ’t leven. Nog een manier is praten over de wreedheid met anderen; maar dat praten kan net zo goed opluchten als aanwakkeren: het is maar net hoe, met wie, en wat wordt gezegd, besproken. )

Haat leidt ertoe dat men mensen tot objecten van haat maakt, tot objecten waarvan al het menselijke is of wordt ontdaan, figuurlijk zowel als letterlijk, zodat ook elk mogelijke verwantschap, gemeenschappelijkheid niet meer wordt gezien, niet meer kán worden gezien of ervaren; zelfs als zou het alleen maar het besef zijn dat óók de andere een levend mens is, met allerlei gevoelens, ervaringen en gedachten die elk lid van de menselijke soort wel kent; elk levend wezen van welke soort ook kent, min of meer, veel van dezelfde gevoelens en neigingen, verlangens of driften, als wij mensen.

Toevoeging [14 juni 2025]:  allicht psychologie van de koude grond, maar de reden waarom men zo makkelijk bij onnoemelijk aangedaan leed tot haat kan vervallen – waarbij men de veroorzaker van dat leed tot object maakt, zonder enige menseljikheid – is wellicht, dat het makkelijker te begrijpen valt hoe iets wat niet menselijk is, wat geen medemens is, tot zulke gruwelijkheden kan overgaan, dan te (moeten) begrijpen hoe een mens tot zulke vreselijke, “onmenselijke” daden komt; helaas bewijst de geschiedenis, zelfs de praktijk van dag tot dag, hoe mensen tot daden overgaan die als onmenselijk worden bestempeld, Het menselijke van onmenselijkheid valt moeilijk te verenigen met de behoefte aan zingeving, betekenis en zekerheid….

In memoriam in spe

Gisteren op mijn aanrecht
zat een witte kleine vlinder
– echt waar –
totaal onverwacht, ongedacht
Ik besefte haar (zijn?) aard pas
toen ik ‘r bij de vleugels greep
Wat daarmee aan te vangen in de winter?

Wat voor denken, gedachten
zou die eertijds verpopte rups hebben
en wat voor verlangens enzovoort?
Hoezeer ben ik zelf zo’n vlinder?

Levend wezen. Jazeker
Moest ik bloemen kopen vol nectar?
dat ik haar een lot gunde
dat haar niet beschoren was
en dan ook nog heel alleen

Direct doden is ook zowat
want zo levend
zozeer als mijzelf
hoe verschillend ook

En zozeer als ik dan leef
leeft ze dan toch vast anders
heel anders
en ik hoopte maar
dat de vrieskou buiten
(al was en is het uit de wind)
een zachte dood zou brengen

Of toch een wonder?
Zojuist nog leek ze haar vleugels
– ff checke –
een slag te bewegen
maar het kon ook een windvlaag zijn
{misschien heeft ze wel antivries?]

Wee niet je gebeente

Ik zal voorbij gaan
– over en uit –
één van de weinigen
(maar toch nog veel in absolute zin)
waar niemand een traan over zal laten
aan wie na een tiental, vijftigtal jaren
geen herinnering meer beklijft
zonder nageslacht
met verre familie die echt wel heel ver is
– anders dan in verdwaalde woorden
misschien op het “net” of hoe dat ook bestaat dan

Maar hé, Napoleon, of een Gandhi, of een Jezus
ook zij zijn er niet meer en het zal hun
allemaal worst wezen en zelfs dat dus niet
bij ontstentenis van leven

En dan is er ook nog dat gegeven
dat na een seconde al
niemand adem hapt na verscheiden
en na een eeuw of wat
alleen van de meest bekenden
het gefabriceerde beeld nog voortleeft
– meer of vooral minder –
al zou die zich daarvan omdraaien in ’t graf.

Voorbijgaande aard

Nog steeds ligt hier wat sneeuw
onderbroken door plukken land en gras
en de vele gestrooide straten en trottoirs
– maar mijn voetstappen kraken nog her en der
als ik op weg ga –
bij uitzondering
vergeleken bij het hoge noorden
en het allerdiepste zuiden aan de pool daar
en op die ene plek mag ik
de gele bloemetjes zien van winterakonieten
zo uit de wind
die nog waait uit het oosten.

Laveren

Als ik nu eens mijn wereld
klein maak, zo klein
dat ik verhoudingsgewijs
weer groot ben, zo groot
dat ik ‘r aankan
zolang ik niet vol geraakt
word en met stappen
nog vooruit kan
met een beetje wind
schipperend met volwassenheid.

Roltrapconversatie op Valentijn

Zo spontaan is zij wel
– en weet ik veel hoeveel jaren jonger –
dat ze me in het voorbijgaan vroeg
hoe het dan wel ging
deze dag van Valentijn met mijn vrouwke
terwijl ik allejezus al mijn hele leven
allenig daar doorheen ga

En of ik dat dan niet erg vond?
– toen dat misverstand was opgehelderd –
“Ach nee, dat gaat wel”
– Zo hoef ik immers alleen maar rekening
te houden met mijzelf, zonder haar
wie dat dan ook mag zijn
( schoot in een oogwenk voorbij, zoiets) –

En of zij dan iets? Met haar vriend?
(Jawel, bij een Van der Valk)
Terwijl ik ook wel ergens
haar wilde omarmen
om niet te zeggen ‘nemen’
– eventjes.

Vooruitzicht

Zo’n honderdenvijftig jaar
– of vijfhonderd voor mijn part
om van onstervelijk niet te spreken –
dat wilde ik wel zondermeer
mits met m’n natje en m’n droogje
en een gezonde nieuwsgierigheid bovendien
maar allengs taant dat verlangen
en weet ik niet meer wanneer ik
niet van geen ophouden meer wil weten.

Even wel

Zo erg is het niet
dat Sinterklaas toch niet bestaat
een sprookje een sprookje blijkt
als het met geven gaat gepaard

Een verhaal, theater spiegelt
als het goed is
het één en ander voor
wat zich anders niet eenvoudig kennen laat

Verhalen van minder allooi
daar stinkt men in.

Inktzwart teknt op wit

En ik ben niet de enige
die liever geniet
van gele bloemetjes als het nog wintert
niet de enige
die liever geniet
van chocola, van kinderspel, volwassenenspel
van schaduwen door zonlicht geworpen
van een klucht, een voorstelling
van alles wat maar
nabij staat, na staat en laat
vergeten
hoezeer wat groot is en ver
dichter en almaar dichter komt
en zeer doet

Liever heb ik het donker van de schaduw
dan het duister buiten enig licht.

Winterakonieten