Laat me eens denken
wat ik jou kan geven
Laat me ’s voelen
hoe mijn hart klopt voor jou
Zonder enig iemand
kan ik wel stappen zetten
kan ik mijn handen wel reiken
al is het in leegte, tevergeefs.
Laat me eens denken
wat ik jou kan geven
Laat me ’s voelen
hoe mijn hart klopt voor jou
Zonder enig iemand
kan ik wel stappen zetten
kan ik mijn handen wel reiken
al is het in leegte, tevergeefs.
Vannacht was ik verliefd
een jaar of 35 jonger
aandoenlijk onzeker als altijd
maar gelukkig in deze droom
met voldoende moed
om te zeggen wat ik op mijn hart had
en toen was het ook nog wederzijds
Voordat ik uit mijn hartstocht ontwaakte
probeerde ik koffie, zelfs cappuccino, te versieren
in de open keuken bij overdekt terras
van notabene een kantoortuin
– zo groot als een half voetbalveld –
ingericht als halfwoestijn
een kantoor als een kathedraal
waar we binnen waren geglipt
waar geen koffieautomaat te bekennen was
waar schone mokken en potten zoek waren
dus dat viel mooi in het water.
Nee, ik hoefde het me
niet af te vragen waarvandaan
de schelpen kwamen
die ik daar tegen kwam
om ze te zien liggen
als lege omhulsels, desalniettemin
als parels, als raadsels, als vormen
om tot me te nemen
op een strand
zij het leeg, zij het niet zo
tegen een blauwe lucht, tegen
egaal grijs of gewoon maar bij zonsondergang.

Loop je daar zomaar
voorbij en ik wist
geen woorden te vinden
al keek ik je aan
en mijn ogen uit
Zo gaat dat
als een stokstaartje
een oogje heeft op een gazelle
als een (Jonathan Livingston) zeemeeuw
verblind wordt door een ijsbeer
Het hart is groot
Het hoofd nog groter
En leven is sowieso aan de orde
(Hoe? Dat laat zich raden.)
Ontelbaar, oneindig flonkerden speldepuntjes
in het licht van de voorlamp van mijn fiets
mij tegemoet in de schemering
boven het lichte sneeuwdek op de weg
op de terugweg; iets
om mee naar huis te nemen
al was ik daarbuiten al even thuis
in warme kleren gestoken
nauwelijks onder nul en een wind
die geen naam mocht hebben
Laat mij maar ademen op m’n gemak.
Strakjes ben ik er
niet meer, evenmin als jij, evenmin
als wie dan ook, wat dan ook
en in de tussentijd
ben ik maar beter
– de wereld daargelaten
en al dies meer zij
Is het net in pak
is het in rok, een jurk met armen
bloot en huppelend over ’s heren wegen
of bedachtzaam op je gemak
laten we elkaar
in de ogen blijven kijken
warmte voelen, warmte geven
bij leven.
Ergens toch
moet ’t wel eindeloos zijn
op dat kruispunt van ruimte en tijd
waar geen van beide er meer toe doen
Ergens toch
moet ik me wel kunnen verliezen
– bij leven; laat dat een punt zijn –
in een moment
misschien wel ook in jouw ogen
Mocht ik hoge ogen gooien:
lachte het geluk me wel toe
al begon het met een vingertip.
Heel de wereld
stukje bij beetje
misschien dat dan zo’n beetje
je wat kan helen
enigszins
wat stuk is
al is het met littekens
die je blijft dragen.
Je danst op een koord
Ik hier, jij daar
en wie al niet zo op dat web
Soms val je
en met wat geluk weet je je
weer voor even zeker op een andere draad
Een andere keer weer kun je
opzij, naar boven. Dat hangt er maar vanaf
Je danst op een koord
en dan ontmoet je elkaar
en is de vraag:
wat doe je dan zo tegendraads?
Wat wil ik
anders dan op een terras
– in bijpassend weer –
dan met jou te verpozen
het glas te heffen
en eten wat ons mond begeert
Je zult er wel niet zijn
of misschien ben ik er zelf niet
terwijl het terras zich vult
met alle anderen buiten ons.