Zin

Laat me eens denken
wat ik jou kan geven
Laat me ’s voelen
hoe mijn hart klopt voor jou

Zonder enig iemand
kan ik wel stappen zetten
kan ik mijn handen wel reiken
al is het in leegte, tevergeefs.

 

Lentekriebels, maar dan anders

Vannacht was ik verliefd
een jaar of 35 jonger
aandoenlijk onzeker als altijd
maar gelukkig in deze droom
met voldoende moed
om te zeggen wat ik op mijn hart had
en toen was het ook nog wederzijds

Voordat ik uit mijn hartstocht ontwaakte
probeerde ik koffie, zelfs cappuccino, te versieren
in de open keuken bij overdekt terras
van notabene een kantoortuin
– zo groot als een half voetbalveld –
ingericht als halfwoestijn
een kantoor als een kathedraal
waar we binnen waren geglipt
waar geen koffieautomaat te bekennen was
waar schone mokken en potten zoek waren
dus dat viel mooi in het water.

Het maakt niet uit, edoch

Nee, ik hoefde het me
niet af te vragen waarvandaan
de schelpen kwamen
die ik daar tegen kwam

om ze te zien liggen
als lege omhulsels, desalniettemin
als parels, als raadsels, als vormen
om tot me te nemen
op een strand
zij het leeg, zij het niet zo
tegen een blauwe lucht, tegen
egaal grijs of gewoon maar bij zonsondergang.

[ foto: Schiermonnikoog, 3 juni 2012 ]

Passé

Loop je daar zomaar
voorbij en ik wist
geen woorden te vinden
al keek ik je aan
en mijn ogen uit

Zo gaat dat
als een stokstaartje
een oogje heeft op een gazelle
als een (Jonathan Livingston) zeemeeuw
verblind wordt door een ijsbeer

Het hart is groot
Het hoofd nog groter
En leven is sowieso aan de orde
(Hoe? Dat laat zich raden.)

Lichtjes bewogen

Ontelbaar, oneindig flonkerden speldepuntjes
in het licht van de voorlamp van mijn fiets
mij tegemoet in de schemering
boven het lichte sneeuwdek op de weg
op de terugweg; iets
om mee naar huis te nemen
al was ik daarbuiten al even thuis
in warme kleren gestoken
nauwelijks onder nul en een wind
die geen naam mocht hebben
Laat mij maar ademen op m’n gemak.

Verpozing

Strakjes ben ik er
niet meer, evenmin als jij, evenmin
als wie dan ook, wat dan ook

en in de tussentijd
ben ik maar beter
– de wereld daargelaten
en al dies meer zij

Is het net in pak
is het in rok, een jurk met armen
bloot en huppelend over ’s heren wegen
of bedachtzaam op je gemak

laten we elkaar
in de ogen blijven kijken
warmte voelen, warmte geven
bij leven.

Zover gekomen

Ergens toch
moet ’t wel eindeloos zijn
op dat kruispunt van ruimte en tijd
waar geen van beide er meer toe doen

Ergens toch
moet ik me wel kunnen verliezen
– bij leven; laat dat een punt zijn –
in een moment
misschien wel ook in jouw ogen

Mocht ik hoge ogen gooien:
lachte het geluk me wel toe
al begon het met een vingertip.

Ogenblik

Je danst op een koord
Ik hier, jij daar
en wie al niet zo op dat web

Soms val je
en met wat geluk weet je je
weer voor even zeker op een andere draad
Een andere keer weer kun je
opzij, naar boven. Dat hangt er maar vanaf

Je danst op een koord
en dan ontmoet je elkaar
en is de vraag:
wat doe je dan zo tegendraads?

Passé

Wat wil ik
anders dan op een terras
– in bijpassend weer –
dan met jou te verpozen
het glas te heffen
en eten wat ons mond begeert

Je zult er wel niet zijn
of misschien ben ik er zelf niet
terwijl het terras zich vult
met alle anderen buiten ons.