Barsten

Vermoeid stuurt mijn hoofd
mijn gedachten her en der
heen, voor zover het
nog tot zover komt.

Ondertussen neemt mijn hart
– vader en moeder van
mijn verlangen en mijn tranen –
de gelegenheid te baat
en wurmt zich, ontworstelend
aan het toom van mijn denken,
naar boven en vraagt
en vraagt en vraagt

vraagt los te gaan
met de golven mee .

Inval. Overval. Uitval.

Jongen, het gaat niet aan.
Nee, dat klopt. Maar gaat dus tóch mooi door
al is mooi in dit verband
een doekje voor het bloeden
van de zoveelste wond in de loop van de tijd
van jongens en meisjes, van mensen voor zover
ze oud worden, misschien volwassen en heel soms wijs

Daar zijn we nog lang niet klaar mee dan
Nee, dat klopt. En het gaat toch ook móói door
zolang we elkaar maar blijven zien
een hand kunnen geven of meer
het moeten voorbij.

Kruistocht

In het bos van de sprookjes
kan het ook spoken
naast al ’t liefelijke leven
van dag in dag uit

Op kousenvoeten betreed ik het mos
langs de beek en waar de stenen
liggen in een hart, en myriaden
herinneringen opgewekt zingen
desgevraagd, verstil ik in een oogwenk

Nergens was ik eerder thuis

O madelief, jij weet te bloeien
in weerwil van de koude
weet je je te onttrekken aan de grond
O madelief, aan wie, wanneer
geef ik een krans.

Onderweg verheugd

Misschien verbeeldde ik me niet de zang
die ik al voetstaps hoorde
in de ochtend op weg
en al zag ik de bron, de vogel in de boomkruin
Het was toch zeker geen merel?
Was het dan een lijster?
Vragen die verbleekten bij de tonen
Vragen waar mijn oren niet om vroegen.

Jochie in zwart

Een jaar of dertien, vanochtend
voor me fietsend voor schooltijd:
Zag ik dat nou goed? (Ja) Een sigaret
afwisselend in zijn mond, in zijn hand
achteloos en terloops. Natuurlijk dat
alsof het de normaalste zaak van de wereld is

Zag een toekomst voor hem weggelegd
– in een flits –
in een patserauto en zo meer
terwijl ik hoop op een leven
de buitenkant voorbij.

Bloedgroet

Verdomme ! Ik zag vandaag
geen bloem. Geen enkele.
Nu ik er aan denk, denk ik
dat het me niet opviel
tot nu net, maar ik maak
het goed gemaakt met u
en ik deel alsnog mijn eigen hart:
een roos, zo rood en vol stekels
om je voorzichtig te verwonden
en te bloeden om de dag
voor de dageraad weer aanbreekt
de toekomst in gruzelementen slaat
een flonkering van kleuren
welbeschouwd.

Groen laken

Vroeg, misschien wat te laat
Wie ligt al op één oor
Wie haalt mee door
De bar is gesloten
Het biljart is een leeg groen laken
– En zelfs de pinda’s zijn op –
Kijken we elkaar aan
de vraag blijft waar is ons thuis
Het huis is maar een plek
maar als we elkaar omarmen
als we kijken en geen oog hebben
anders dan voor elkaar
als jouw lippen nog proeven
naar zout en bier
– of laat ’t wijn zijn, of een cocktail of wat –
als ik je ruik door je parfum heen
als je me neust
als we dan niet meer spreken
anders dan met tongen
en vingers vol tastzin
en afgebroken woorden
dan zijn we thuis
dan zijn we waar dan ook
maar bij elkaar.

Mocht je nu hier zijn

O wacht, dat ben je, jij
die dit leest
en een beetje van mij
tot je neemt
Als je me niet kent
dan hoop ik maar
dat je niet mijn kop wil doen houden
– al ben ik daar wel gehecht aan, aan mijn kop –
Als je me niet kent
misschien heb je even tijd
in ons korte leven
een moment te delen wat kostbaar is
Ik houd van mijn leven
vooral als ik niet ongelukkig ben
en zelfs daarbuiten houd ik eraan vast
Zoveel schelen we denk ik niet
De smaak van een stuk ananas
De geur van vers gemaaid gras
Of van kaneel
Je lief die je aankijkt
Zo goed ken ik je niet
Ik geef je de hand
een omhelzing, wat je wilt
een kus als het je om het even is.
[En zo hier is het makkelijk gedaan]

 
 
 

Verscheiden

Eén van de zovelen
van de aarde verdwenen
en nergens meer
En nergens anders
dan op aarde in herinnering
niet tastbaar meer, niet hoorbaar
onzichtbaar, anders dan in beelden
Wie weg is, was gezien.