Droomwandeling

Ogenschijnlijk, onwaarschijnlijk
droog ligt het land
aan mijn voortschrijdende voeten
houd ik mijn tranen binnen
en mijn adem in
hartklop voor hartklop
Zand en steen vergezellen me op
weg naar een volgende oase
waar ik voor even mijn dorst mag
lessen voordat ik het groen weer achter
laat en ik weet wel, te laat
dat dit het land is van mijn dromen
gewrocht van eigen vlees en bloed
en hersenspinsel, getekend zicht. Wellicht
ga ik beter blind en op de tast
dat ik dan een hand kan geven
en mijn hart
dat ik jullie stemmen hoor
misschien zelfs van jouw mond proef
waar het gras dan altijd groen is.

Handkus

Als de rivier dan droog valt
kan ik dan wel oversteken
naar de overkant? Of rest
dan alleen een vlakte
en was dat leven altijd al een brug te ver?

Zonder glas zie ik zo scherp niet
Wazig zou ik voortgaan
Wellicht is dat wat mij past

Net genoeg heb ik wel weet
van wat ons beweegt
– zo verwant ben ik wel aan jou –
net genoeg om teveel te zijn
en maar te blijven schipperen
aan de oever en de kust.

Aanmodderen

Had ik maar een arm
om mij heen
die niet van mijzelf was
en wist ik mij maar geborgen
Had ik maar een arm
voor jou ook
Hadden we hart voor elkaar

Allicht schiet je dan tekort
zegt het hoofd
en maakt zijn eigen woorden waar.

…….

Barsten

Vermoeid stuurt mijn hoofd
mijn gedachten her en der
heen, voor zover het
nog tot zover komt.

Ondertussen neemt mijn hart
– vader en moeder van
mijn verlangen en mijn tranen –
de gelegenheid te baat
en wurmt zich, ontworstelend
aan het toom van mijn denken,
naar boven en vraagt
en vraagt en vraagt

vraagt los te gaan
met de golven mee .

Inval. Overval. Uitval.

Jongen, het gaat niet aan.
Nee, dat klopt. Maar gaat dus tóch mooi door
al is mooi in dit verband
een doekje voor het bloeden
van de zoveelste wond in de loop van de tijd
van jongens en meisjes, van mensen voor zover
ze oud worden, misschien volwassen en heel soms wijs

Daar zijn we nog lang niet klaar mee dan
Nee, dat klopt. En het gaat toch ook móói door
zolang we elkaar maar blijven zien
een hand kunnen geven of meer
het moeten voorbij.

Kruistocht

In het bos van de sprookjes
kan het ook spoken
naast al ’t liefelijke leven
van dag in dag uit

Op kousenvoeten betreed ik het mos
langs de beek en waar de stenen
liggen in een hart, en myriaden
herinneringen opgewekt zingen
desgevraagd, verstil ik in een oogwenk

Nergens was ik eerder thuis

O madelief, jij weet te bloeien
in weerwil van de koude
weet je je te onttrekken aan de grond
O madelief, aan wie, wanneer
geef ik een krans.

Onderweg verheugd

Misschien verbeeldde ik me niet de zang
die ik al voetstaps hoorde
in de ochtend op weg
en al zag ik de bron, de vogel in de boomkruin
Het was toch zeker geen merel?
Was het dan een lijster?
Vragen die verbleekten bij de tonen
Vragen waar mijn oren niet om vroegen.

Jochie in zwart

Een jaar of dertien, vanochtend
voor me fietsend voor schooltijd:
Zag ik dat nou goed? (Ja) Een sigaret
afwisselend in zijn mond, in zijn hand
achteloos en terloops. Natuurlijk dat
alsof het de normaalste zaak van de wereld is

Zag een toekomst voor hem weggelegd
– in een flits –
in een patserauto en zo meer
terwijl ik hoop op een leven
de buitenkant voorbij.

Bloedgroet

Verdomme ! Ik zag vandaag
geen bloem. Geen enkele.
Nu ik er aan denk, denk ik
dat het me niet opviel
tot nu net, maar ik maak
het goed gemaakt met u
en ik deel alsnog mijn eigen hart:
een roos, zo rood en vol stekels
om je voorzichtig te verwonden
en te bloeden om de dag
voor de dageraad weer aanbreekt
de toekomst in gruzelementen slaat
een flonkering van kleuren
welbeschouwd.