Vanzelf

Mijn handen neem ik
voor vanzelfsprekend
voor zolang als het duurt
al laat de omloop van mijn bloed
mijn vingers tintelen
evenals – vanzelfsprekend – als
ik aan je denk en met name
je huid, je mond, je ogen
niet in de laatste plaats
en je lach en je tanden
als ik aan je denk
en je zo beroer
dat je ogen, je huid en mond
samenzweren tot dat moment van vergetelheid.

Groen laken

Vroeg, misschien wat te laat
Wie ligt al op één oor
Wie haalt mee door
De bar is gesloten
Het biljart is een leeg groen laken
– En zelfs de pinda’s zijn op –
Kijken we elkaar aan
de vraag blijft waar is ons thuis
Het huis is maar een plek
maar als we elkaar omarmen
als we kijken en geen oog hebben
anders dan voor elkaar
als jouw lippen nog proeven
naar zout en bier
– of laat ’t wijn zijn, of een cocktail of wat –
als ik je ruik door je parfum heen
als je me neust
als we dan niet meer spreken
anders dan met tongen
en vingers vol tastzin
en afgebroken woorden
dan zijn we thuis
dan zijn we waar dan ook
maar bij elkaar.

Orgas

Het haardvuur knapt
Nog langer brandt de zee
Maar hand in hand
En helemaal als we smelten
Lijkt de tijd wel dood
Helemaal als we even weg zijn
van elkaar.

 
 
 

Binnenkomertje

Nu we al samen binnen
de kou van buiten buitensloten
en elkaar helemaal bloot
in de ogen keken
de tijd met onze heupen
een eind weg stootten
is het niet te laat
voor het zaad
om met het zout
van de vrucht van de verkering
nogmaals een weg te vinden
met de mond, met de tong
die van geen ophouden weet.

Lentekriebels

Blaadjes frisse sla
als ik door jou verzadigd
van honger verga

Het is de onschuld
dat onwaarschijnlijke groen
die mijn hart vervult

Je lichte ogen
oogstrelende hand, al dat
laat zich niet logen.

Keer

Ik min jouw schede
de plooien, de mond
die zich vochtig opent
voor mijn tong

Ik min jouw borsten
waarvan je tepels
zich oprichten
onder mijn cirkelen

Ik min jouw lippen
die vanzelf vaneen gaan
als ik zachtjes
met de mijne sabbel

Ik min jouw voeten
die je dragen
en heb lief
elke kromme teen

Ik min je ogen
als je me aankijkt
verdrink ik
en gelijk ik levensgroot.

 
 
 

Dorst naar zinnen

Was jij hier en had ik abrikozen
zou ik je liefkozen
met het sap
partjes delen met de mond
of we zouden voor ons part
dat vruchtvlees laten staan
en overgaan tot zinnenspel

een toon hier
een lichte streek
een doordringen tot elkaar
voorbij het vlees tot aan de pit
de kern die bloot ligt

mond op mond, oog in oog
handen, voeten, benen, buik aan buik
ademloos en steunend, kreunend
een laten gaan, vrij, zo vrij
en weerloos
bij elkaar.

 

 

Middernachtdroom

Zal ik een paar woorden schrijven
zo midden in de nacht
wij ver van elkaar verblijven

Denk ik je bij me
jouw lippen streel
je kussen steel
mijn tong jouw mond
verkent, de warmte komt
als ik je tepels kus en zuig
als ik jouw hand voel
die naar mij tast
opnieuw verrast
klem mijn benen om je heen
op het punt van binnendringen
nog vaster houden we elkaar
en gaan we dieper, dieper.