Hoewel

Ietwat ernstig kijken daar
mijn veronderstelde ogen
in mijn veronderstelde gezicht
me aan. Ietwat geplaagd
Ook dat nog. Op zich
herken ik er wel wat in

Echter, alle voetstappen
die ik achter me heb gelaten
draag ik met mij mee
en ik wil er niet aan
dat ik mezelf omarm

Geen punt
Dat is het:
geen punt

waar mijn jongere ik, waar ik
een trui droeg met ruiten
waar ik haar had over mijn oren
waar ik nog zonder baardstoppels
voor een meisje kon doorgaan
waar opa mijn vader werd
– zolang als het duurde –

waar m’n hoofd mij overnam
al ging ik nog tekeer
eerst op m’n step
en met boog en pijl
die ik steeds weer brak
zo hoog mogelijk mikkend op de hemel
me later en wat ouder dan klasgenoten
een zekere plaats bevocht

waar ik me voegde
in de wereld
waar ik aan de wereld
ontsnapte door verhalen
van velerlei makelij

Stap voor stap
trekt het leven aan me
nodigt me uit
meer te zijn dan van glas

Misschien is een sterretje
zo gek nog niet
en geen punt

Straks wordt het weer zomer

In een oogwenk voorbij
In een oogwenk waar van alles
kan gebeuren, maar niks terug
gedraaid. Niks en ledig als alleen
al een laken teveel is. In de hitte

een oogopslag, een blik een aanzet
om alles te vergeten, alles
vergeefs is, te geef is
in parelend zweten
volledig begrip
in een oogopslag
in een woord
in handgebaar
en meer

Straks wordt het weer zomer

– als ook dan er gewassen zal moeten worden
strijk en zet.

Kommernis

Nee, nog heb ik geen genoeg
aan mezelf
Jonger ben ik als in de spiegel kijk
een jongen met wat grijze haren

Toen ik zo jong was als ik nu lijk
was ik al oud, te oud voor mijn leeftijd

Te veel. Te vol.
Sedertdien verlang ik in mijn eentje

En als ik dan langs de rand loop
En als ik dan dans op de vulkaan
Als ik dan in den blinde tast

Weet ik je wel ergens daar, maar
hand in hand, van hart tot hart
zo samen laat ik achterwege

Jij bent de rand
Jij bent de vulkaan
Jij bent mijn onverbiddelijke zicht.

Wiegenlied

En dan mag ik er weer even zijn
gewoon zo zijn
zo klein
als het heelal mij maakt
zo groots
zo op mijn plaats ook
zo zoals geen ander
gewiegd en niet gewogen.

 

Moment

Zolang ik ’t maar niet weet
zolang ik mijn ogen maar
ervoor kan sluiten
er niet bij stil sta
dat ik eigenlijk over drijfzand loop
dans op de spreekwoordelijke bodem
dat mijn vliegen een vrije val is
dan weet ik mij in leven
(al is het tegenstrijdig)

Ach ja

Zomaar, of eigenlijk niet zo
werd ik aangesproken aan de rand
van het Hoornsemeer, de uithoek ervan
door een jonge vrouw
– natuurlijk mocht ze me iets vragen desgevraagd –
of ze er wel zou kunnen schaatsen
want zomaar als niemand anders al op ’t ijs
dan vertrouwde ze ’t niet
en met mijn serieuze camera om mijn nek
en/of mijzelf
boezemde ik blijkbaar wat vertrouwen in
op een oordeel

waarop zich een gesprekje ontspon
niet van enige warmte gespeend
daar aan de rand van het ijs
waarbij ik haar aarzeling deelde
hoewel in de verte een eenzame schaatser
of twee
het ijs trotseerden met ogenschijnlijk gemak

– O ja, zo te vliegen, leek me heerlijk
maar ja, mijn knieƫn, mijn conditie
het was al 15 jaar geleden
dat ik op de ijzers stond –

Even verderop, gewoon rechtdoor zeg maar
ligt de echte Hoornseplas
in plaats van het Hoornsemeer hier
en daar is het niet zo diep ook

Zo fietste ze ervan door
na een wederzijdse wens van plezier.

Durf

Mijn hele leven taal ik eigenlijk
wel naar
– en wie niet –
naar wie me aanspreekt
naar mezelf
en dat we dan onszelf zijn
zo met elkaar.

Goedheiligman

Lang gelee kwam ik ter aard
toen moederlief mij had gebaard
Een lange weg, een leven
Hoewel, per saldo is het om ’t even
in het licht bezien van zoveel tijd
en alles wat ons deerlijk scheidt

Maar al dat gezegd, in mijn ogen
wil ik het tegendeel, ongelogen
Het liefst leef ik een honderd jaar
of meer, voor nu, dan ben ik klaar

En mocht ik dan alenig zijn
dan is er altijd nog wat marsepein
Zelfs al moet ik zelf spelen
voor sint en piet; wat kan het schelen
als ik toch deel uitmaak van zovelen.

Groot

Pap, wil je me
houd je me
sta je pal

tussen mij en de wereld
die ik zo klein als ik ben
nog niet zo vertrouw
die ik zo klein als ik ben
nog overweldigend vind

al klopt mijn hart
al ben ik groter
en weet ik wel
ken ik de woorden wel

en al schoot ik mijn pijlen
tot de boog brak
keer op keer
al scheurde ik met mijn step
over de brede stoep
de hoek om
tot waar mijn wereld ophield

Nog niet zoveel groter
moet ik maar mijn eigen pa zijn.

De pot

In mijn tweede jeugd aanbeland
– hoop ik met stille vreze –
wordt dat alras gelogenstraft
als ik moet
en de wc geduldig wacht
tot ik klaar ben met mijn plas
waaraan geen einde komt
overdreven gezegd.

Ach, kon de tijd maar de pot op
mij niet heus.