Zin

Laat me eens denken
wat ik jou kan geven
Laat me ’s voelen
hoe mijn hart klopt voor jou

Zonder enig iemand
kan ik wel stappen zetten
kan ik mijn handen wel reiken
al is het in leegte, tevergeefs.

 

Lentekriebels, maar dan anders

Vannacht was ik verliefd
een jaar of 35 jonger
aandoenlijk onzeker als altijd
maar gelukkig in deze droom
met voldoende moed
om te zeggen wat ik op mijn hart had
en toen was het ook nog wederzijds

Voordat ik uit mijn hartstocht ontwaakte
probeerde ik koffie, zelfs cappuccino, te versieren
in de open keuken bij overdekt terras
van notabene een kantoortuin
– zo groot als een half voetbalveld –
ingericht als halfwoestijn
een kantoor als een kathedraal
waar we binnen waren geglipt
waar geen koffieautomaat te bekennen was
waar schone mokken en potten zoek waren
dus dat viel mooi in het water.

Passant

Zelden sta ik er bij stil
maar regelmatig
ben ik een fietser, een fiets
zoals de juf haar klas waarschuwde
voordat de kleuters zouden oversteken

Ook ben ik wel een collega, een contact
een buurman, een klant, een luisterend oor
een muziekliefhebber, een geval, wat dan ook

Een vrouw, dat ben ik dan weer niet
noch wat dan ook van zoveel etiketten

Je kan er een punt van maken
maar liever ben ik mezelf
in weet ik niet hoeveel gedaanten

Bestempel maar zoveel je wilt
voor ’t gemak, waar ’t zoal van pas komt
allemaal, van moment tot moment
blijft er niks van over, niks
om je aan op te hangen
als je adem haalt en dergelijke

Gebeuren

Dag voor dag
word ik steeds een dag
ouder. Sta ik er
niet altoos bij stil
of zeg ik gedag
bijvoorbeeld tegen pa of ma
tegen wie ook maar mij na staat

Ondertussen word ik kaler
en zo nog wat meer

Wat zal ik
als ik echt oud ben, zo oud
dat ik er alleen voor sta, voor ’t leven
als ik alleen
alleen nog naar adem kan happen?

Het maakt niet uit, edoch

Nee, ik hoefde het me
niet af te vragen waarvandaan
de schelpen kwamen
die ik daar tegen kwam

om ze te zien liggen
als lege omhulsels, desalniettemin
als parels, als raadsels, als vormen
om tot me te nemen
op een strand
zij het leeg, zij het niet zo
tegen een blauwe lucht, tegen
egaal grijs of gewoon maar bij zonsondergang.

[ foto: Schiermonnikoog, 3 juni 2012 ]

Blinddoek

Bind mij er maar één voor
voor de ogen. Dan rest nog
alleen wat ik hoor, wat ik voel
om van reukzin niet te spreken
Ik kán niet meer. Misschien
zo af en toe trek ik even
die blinddoek omhoog
om in ’t voorbijgaan te kijken
naar de wereld, hoe de wereld
er aan toe is, wat er zoal
zich afspeelt, zich voltrekt, zich blind
in de afgrond stort, wapperend
met armen wijd als vleugels
dansend op benen als op vast grond.

Passé

Loop je daar zomaar
voorbij en ik wist
geen woorden te vinden
al keek ik je aan
en mijn ogen uit

Zo gaat dat
als een stokstaartje
een oogje heeft op een gazelle
als een (Jonathan Livingston) zeemeeuw
verblind wordt door een ijsbeer

Het hart is groot
Het hoofd nog groter
En leven is sowieso aan de orde
(Hoe? Dat laat zich raden.)

Lichtjes bewogen

Ontelbaar, oneindig flonkerden speldepuntjes
in het licht van de voorlamp van mijn fiets
mij tegemoet in de schemering
boven het lichte sneeuwdek op de weg
op de terugweg; iets
om mee naar huis te nemen
al was ik daarbuiten al even thuis
in warme kleren gestoken
nauwelijks onder nul en een wind
die geen naam mocht hebben
Laat mij maar ademen op m’n gemak.

Binnenstebuiten

Dat kan dus ook
dat je een nieuw jaar ingaat
zonder vader en zonder moeder
of zonder wie ook maar hun rol vervulde

Dat kan dus ook
dat een nieuw jaar je overvalt
waar geen plaats meer is
voor je zoon of dochter
behalve in gedachten

Dat kan dus ook
dat een nieuw jaar zich aandient
en je je nauwelijks gedragen weet
door wie dan ook of wat

en trek je je aan je haren omhoog
en heb je nog warme woorden over
zolang je nog wat open staat
en de wereld en de mensen nog wat
binnen laat.

Zover gekomen

Ergens toch
moet ’t wel eindeloos zijn
op dat kruispunt van ruimte en tijd
waar geen van beide er meer toe doen

Ergens toch
moet ik me wel kunnen verliezen
– bij leven; laat dat een punt zijn –
in een moment
misschien wel ook in jouw ogen

Mocht ik hoge ogen gooien:
lachte het geluk me wel toe
al begon het met een vingertip.