Wat mij betreft

Weet je wat je zou willen zeggen, Job
– nou?
als laatste woorden?
– Nou, dat weet ik niet hoor
   Misschien, als er dan iemand is
   die luistert
   en als die een mens is, zo’n beetje
   zoals ik, misschien, misschien dan wel
   “ik hou van jou”
   Of anders houden we gewoon
   elkaars handen vast
   een hartklop van elkaar.

Aanzoek

Mocht je voorbij komen
maar niet echt voorbij
en als we elkaar dan stilaan zien
enzo
mogen we dan
al is het met kloppend hart
– dat mag ik hopen –
met een kus een vrijheid
bezegelen zonder ring
in vertrouwen
dat geen naam mag hebben.

Stel

nou eens
dat een Taylor S.
dat een Albert E. of een Isaac N.
dat een Vincent Van G.
dat een Johan C.
of voor hetzelfde geld
een Stromae, een Bach of Vivaldi
een Edith P.
toch niet hetzelfde zijn of waren
als hun waren,
die voortleven, vooralsnog
bij de gratie van ons onderscheid

– wacht, laat ik Marco B. niet vergeten.

Majeure schreden in mineur (of omgekeerd)

Mama is nog maar kort hier
Net zoals ik, al is de kans groot
dat mijn (te)kort even langer duurt
En pa? Van ’t zelfde laken en pak
hoewel die geenszins van jasje-dasje
houdt, daarin nog niet dood gevonden
wil worden; wat ook niet geschieden zal

Niet dat ik weet heb
van dat grote wanneer en hoe
al is dat eigenlijk van alledag
net zoals daags die kleine mensjes
worden geboren en eigenlijk ongewis
altijd maar de toekomst tegemoet gaan

150 jaar! Of wacht: 200 !
Die tijd wilde ik wel
dat die mij zou zijn beschoren
En een heel klein beetje nog steeds
mits in goede verstandhouding
als je begrijpt wat ik bedoel

– ik hoop dat heer Ollie en Tom Poes mij overleven.

Kind toch

Opeens ben je daar
in de wereld geboren
zo klein, zo groots
tegen alles in
tegelijk voor alles

In welke wereld
dat is de vraag
en juist daarom

eens te meer
omhelsd, gekust
om je gedragen te weten
als de tijd komt.

Gevalletje eenvoud

De avond is voorbij
midden in de nacht
zou je kunnen stellen
of het begin van de ochtend
van de dag die is aangebroken
– met een slok op is alles waar, zwart-wit –

In het café loopt de tap
en daar in een uithoek van de wereld
met alleen oog voor elkaar
is de ene dronk de andere waard
de wereld in een notendop
terwijl we elkaar verstaan

’s ochtends weten we niet meer
al zijn we rijker.

Ontmoet

Mocht
je me raken
al zie je er niet uit
al ben je niemandal
al loop je op je laatste benen
dan vliegen we toch
op en vervluchtigt alles niet ter zake
en weten we niet meer
van me dit en me dat
en is alles opgelost

Ave verum

Mijn knie – de linker –
heeft er niet echt zin meer in
beweegt het liefste in één vlak
zeker niet zijwaarts

En op mijn lichaam tekenen
zich allengs meer vlekken
af in mijn huid tegenwoordig

Haren vielen al uit
boven op mijn kop
en blijven maar groeien elders
en grijzen in de loop van de jaren

Mijn gebit blijft langzaamaan ook
in gebreke en laat mij kiezen
tussen doorbijten
of een tandartsrekening
die ik gelukkig kan verteren

Met mijn lust kom ik nog wel klaar
Mijn verlangen en de rest
vertrouw ik toe aan spreekwoordelijk papier

Gewend onderhand aan mijzelf
en het ongemak alhier

Misschien, misshien
kan ik het glas heffen
op een moment samen
voor mijn einde der tijden

tot dan blijf ik maar de wereld groeten.

Biecht MMXXIV

Veel mensen heb ik niet
om me heen
Natuurlijk, net zoveel als iedereen
op deze ronde aarde

Alleen
wie me dan na staat
en ook nog voor langere tijd
dat is vers twee

Gelukkig
kan ik nog vol schieten
ontvankelijk, ongewapend
te moe om muren op trekken
[ elk nadeel heeft z’n voordeel ]

Gemene deler

Bij gebrek aan
wat lieve woorden zo nu en dan
een kus of wat
een grap die wordt verstaan
gedeelde lach, tranen
al dan niet met tuiten
een fluistering dicht bij het oor
een roep, groet, over straat

wat toch iedereen
wel kent, belieft
Zo verschillend zijn we niet
al zijn we stuk voor stuk alleen
en enig en wat dies meer zij bovendien.