Ik bodem
glas
regenboog
eg waar me lief
aaahhh
Ik bodem
glas
regenboog
eg waar me lief
aaahhh
Ik zag de zwaluwen nog niet
Wie zegt dat ik er nog ben in de morgen
Wanneer ooit die zomer aanbreekt
zonder mededogen, zonder zorgen
Of dat ik wel, maar zij hier niet meer zijn
Ongemerkt is het leven dan verbleekt
In welke grijsheid dan geborgen?
Ik zie de zwaluwen nog immer niet.
In het land van Nergensniet
is men overal gelukkig ontevreden
In het land van Overalwel
zegt men steeds maar ja en amen
De Nergensnieters blijven beramen
hoe de Overalwellers te beschamen.
Uit onverwachte hoek komen zij
de bewakers van de lach
voor hen die het lachen is vergaan
Ze nemen je bij de hand
en laten je kijken van een afstand.
Midden op de dag is het uur “u”
Het luchtalarm loeit dat het een lieve lust is
Weer is de lucht blauw en nu
blijft deze leeg van stippen
Weer is er hier niets mis
alleen maar elders loopt het op de klippen.
Op het strand krijg ik het land
aan die madam of die meneer
die met de mobiel in de hand
roept: stilte is hier zoveel meer.
Voor klaprozen is de tijd niet aangebroken
te rijke grond, te vaak gemaaid
madelieven, paardebloemen, fluitekruid
dan heb je ’t in de bermen meestal wel gehad
boterbloemen niet vergeten, overheersend groen
beneemt mij de adem niet.
Mooi is dat
het is altijd wat
lelijks in Het Nieuws
De wereld kan er mee door
De zeeën, de bergen en woestijnen
vogels trekken her en der van hier naar daar
en de mensen lachen dat ’t een lieve lust is naar elkaar
De zon komt op bij het ontwaken
de momenten dienen zich onverstoorbaar aan
elk geluid valt op zijn plaats
en elk beeld
kleine ongemakken blijven kleine ongemakken
Ik leg mij neer bij de opkomst van de maan.
De woorden vormen zinnen in vrije val
buitelen, dansen om elkaar
vliegen mij, de buitenstaander, om de oren
die kijkt met grote ogen
laat zich meevoeren op de vlucht.