Ik voel enige beklemming
zei de nerveuze lemming
en koos alras het hazepad
hij was al die groepsdruk zat.
–
Ik voel enige beklemming
zei de nerveuze lemming
en koos alras het hazepad
hij was al die groepsdruk zat.
–
Weerspiegeling in het verborgene
windstil wacht ze daar
weerkaatst ze in stilte
wat al eeuwen staat
in het donker van het bos
likt het mos aan haar oevers
dan valt een woudreus
en trekt dag in dag uit de lucht voorbij
geef ik je mijn hand.
–
En we hoeven niet over gebaande paden
en zelfs niet over de zandweg, noch
noch hoeven we over te steken
waar anderen ons voorgingen
betreden we het onbetreden land
waar rivieren ons niet ophouden
al moeten we naar de bron
dat ook onze lichamen weten
dat we afgestemd zijn op elkaar
een slotakkoord, een opmaat voor later.
–
Als de avond valt, volle maan
de gordijnen open
en je huid bleek oplicht
kan ik niet anders dan je bedekken
met mijn lichaam, gevangen, bevangen
in de weerkaatsing van de zon
verhit, bij zinnen, maken we ons één
de sterren nog eens
zo ver weg.
–
In de vijver schijn de maan
en overal schijnt ze
in het water haar weerspiegeling
dat laat niet te wensen over
behalve mijn smachtend hart.
–
Stekelbaarjses, van die vissies
die we in de grote viijver zagen
minachtten, want voorns, voorntjes
waren je-van-het
ze konden zich gelukkig prijzen
bij de kortizichtigheid van ons
de jongetjes van weleer.
–
Plas en dras, een libelle, nee meer
dan één. Ze scheren voorbij
en zo klein, zo groot, met vleugelslagen
en niet te volgen zwenkingen
ik laat ze maar graag
hun capriolen, hoe ze
de bocht uit vliegen.
Het slibt aan
wat je zoal voor de voeten komt
soms is vaste grond wel ver te zoeken
ik zeef het slijk
en het leven gedijt er op.
–
Een roos, een geel hart en dauwdruppels op het roze
Ik denk aan jou
Een zonnebloem die groots oprijst
Ik denk aan jou
Een waterval van wit, de bereklauw die licht vangt
Ik denk aan jou, aan jou
waarbij de bloemen verbleken, verschieten van kleur.
–
Op de bodem
van de zee, daar
ligt een schat en licht
op en voor het grijpen
als we samen duiken
tot in het onbekende zwart
en we lucht zoeken bij ekaar.
–