Ze stond bij een stopbord te wachten
in de baan van de laagstaande zon
Zij lichtte op als ik niet eerder zag
om terug te keren hier in zwart op wit.
Ze stond bij een stopbord te wachten
in de baan van de laagstaande zon
Zij lichtte op als ik niet eerder zag
om terug te keren hier in zwart op wit.
Het grijs en zwart voorbij
weet ik de maan ook wel
ergens staan en de sterren
flonkeren nog na zoveel tijd
lig ik binnen, beschut en warm
geloof ik nog net zo hard
zonder nadenken, bijna
dat mijn volgende stap ook
wel weer op vaste bodem is
en ook in kleur.
Na middernacht. Ik hoor mijn adem
Van buiten hoor ik niets komen
Van binnen speelt mijn verlangen
op en op en neer gaat mijn stemming
Jij dwarrelt door mijn gedachten
terwijl ik languit lig en het plafond
in zicht blijft en zwijgt.
Het bleke gras achter het hek
op het veldje met scherp zand
een wilgenbosje en wat stenen
aan de kant van het water zat jij
in rood gekleed, je hond
rende dwaze rondjes
de dag was veelbelovend
en achter ons de treinen af en aan.
–
De plassen liggen zilverachtig en donker
door zonlicht bestreken, bij vlagen wind
Ik banjer er doorheen, door de luchten
en even ben ik reusachtig groot
in een omgekeerde wereld.
–
De wolken spelen met het zonlicht
ik zie het vooralsnog aan, binnen
weet ik wel hoe het zit, buiten
moet ik in de modder staan.
Verdomme, de modder. Het verbleekt
Een herfstblad gloeit naast het spoor
dat vele voorgangers trokken
door het bos, verderop
onder wijdse lucht
wenkt een armtierige boom.
De wind spreekt boekdelen
en zo ook de zee
en de schelp aan je oor
Het ruist een eind weg
In stilte drink ik een glas wijn.
–
Ik, ik , ik en dat andere deel van mij, mij, mij
glijden uit en vallen pardoes, verbeeld ik mij,
in de armen van Fortuna, het lot
dat mij vraagt of ik er wel raad mee weet.
–
De roos staat in de hoek
het druipt er vanaf
van de doorns, de bloembladen, de geur
ontrukt aan de grond
waart ze rond door de geest
door de tijd, vastgehouden
en overhandigd met alle gewicht, zo licht.