Gewrochte vruchten, nalatenschap

Je leerde rekenen, je leerde taal
En je leert in de tegenwoordige tijd
hoe je de wereld naar eigen goeddunken
kunt plooien naar je eigen welbevinden
al slaat die je een bloedneus
al val je ermee in een ravijn
– Ach, zolang ik val, dan vlieg ik –
en laat je voor je nageslacht
ik weet niet wat.

Liever

Geleidelijk laat het lijf het afweten
– en soms zomaar met een klap of wat –
en ook de geest
is al niet meer wat het geweest is
en zal er niet meer zijn
op een gegeven moment
een onwelkom geschenk
dat je liever nooit uitpakt
maar zo ja, dan niet alleen
liever niet alleen.

Om niet

Eén moment svp
en ik houd u niet langer
in spanning

en dat is ’t dan
al ben ik geen deelgenoot
in levende lijve
zij het dan ook weer niet de adem benomen

Die geprezen leegheid:
volgens mij is daar ook niets aan.

Uitzicht

De verwarming bleef uit vandaag
dankzij de zon en de ligging
op het zuiden en de raampartijen

De lente breekt weer aan
en straks ook vast de zomer

Mijn hart klopt
al is het niet raak
noch er op los
waar het bij blijft, vooralsnog.

Nagedachtenis

In gedachten loop ik laat
Laat ik de voorbije dag niet
de revue passeren en zie ik
de nacht in het verschiet
met wolken, maan en wat
dies meer zij, misschien
droom ik al bij gebrek aan beter
en steel ik een kus
die toch al vrijmoedig werd gegeven
als ik mijn hoofd te ruste leg
in het donker, in het donker
waar de onrust zich roert
al sluit ik er mijn ogen voor de ochtendstond.

Kort dag

Opa sjouwde nog met kolen
voor de warmte in huis
Zijn oma werkte misschien ook wel
tien of twaalf uur per dag
ook als ze zwanger was

En haar grootmoeder en die dan weer
van haar, daar is het gissen
of ze wel dertig, veertig werden
al dronken ze licht bier als water
vertrouwd met poep en pis en zweet
om niet te spreken van goden, geesten
en wat dies meer zij, eeuwen lang

Zoveel, nee, zo weinig, levens terug
leefden mijn voorzaten
met net wat meer dan apen.

Heitje voor een wijsheidje

De baard, mijn baard
al is ie kort van stof
kijkt me in de spiegel aan
elke ochtend en spreekt
in grijs en wit van jaren
van voorbije tijd
en hoeveel er niet nog zijn te gaan

Gedistingeerd, dat kun je zeggen
of hoe het afkleedt met gezag
maar vooruitlopend op de rimpels
en de stramheid van de ouderdom
blijft het de vraag of ’t genoegen doet
al blijft ie groeien, zij het wit, zij het grijs
alsnog een teken van leven
terwijl ik al kaler wordt
brengt het mij ergens en van de wijs.

Groene kerst

Dan branden we maar
een witte kaars of wat
De winter is een kat
in de zak met misbaar

In de vrede zit de klad
al voor het zoveelste jaar
Grove woorden, alles waar
Groter, grootst is het je-dat

Zoeken we ons welbevinden
in genoegen naar ons hart
om gebroken gemoed te binden

om zacht te maken wat is verstard
door wat de jaren inden
Leef licht! Leef op! Zo zingt de bard.

Geboerd

Weet je nog
dat je woorden spuide
bij de vleet zelfs
met een woordenschat
van hier tot ginder?

Weet je nog
dat je er nooit om verlegen zat
aan één woord genoeg had
om een verhaal op te dissen
met kop en ook nog met staart?

En je wist verhaal te halen ook
En het legde je geen windeieren
En dat dat je nu van pas komt
nu je met je mond vol tanden staat
al neemt de verzorger je die uit
voor de nacht.

Bezegeling

Het hart klopt maar
door, vooralsnog
en zolang laat ook het denken
het niet afweten
al kleunt het nog zo vreselijk mis
bij tijd en wijle
al leeft het op het laatst
op de sporen van verleden tijd

Ondertussen
is een kus nooit weg
van wie je vertrouwt.