Over uniekheid en gelijkheid van de mensen

Waar men zoal troost in vindt: in het feit dat ieder mens uniek is én in het feit dat iedereen juist heel veel deelt, dat wil zeggen, in bijna alles ook weer juist hetzelfde is en dat alle verschillen juist niet zo belangwekkend zijn. Zelfs een heel identieke eeneiïge tweeling is niet uniek – anders waren het geen twee…. En zelfs het meest unieke individu lijkt toch wel heel veel, zowel gewoon biologisch etc als psychisch op mensapen, en zelfs op welk ander organisme dan ook, als het gaat om bv. de essentiële eigenschap van leven om zich te willen voortplanten, zij het individueel, zij het als onderdeel van de eigen soort en in die zin bij te (willen) dragen aan de instanthouding van de soort.

We zijn allemaal gelijk. Iedereen is uniek. Toch wel grappig dat men in zo verschillende beweringen, zo op het oog tegenstrijdigheden, juist troost en betekenis vindt; terwijl allebei de beweringen in zekere zin (!) (dus niet in absolute zin) waar zijn. Maar de behoefte aan zekerheid kan moeilijk leven met nuance, met gradaties. Dit terwijl de werkelijkheid één en al gradatie is, zelfs welbeschouwd zonder grenzen is; ook al zijn onderscheidingen, zij het – per definitie – subjectief, maar net zo goed mogelijk en bestaanbaar; zoals een spiegelbeeld weliswaar niet het beeld zelf is, maar evenzeer werkelijk (een spiegelbeeld).

[ maar ik dwaal af, voor zover ik al niet dwaal. #goedenachtslaapwelgoedemorgen ]

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *