Overpeinzing over haat

Haat is blind. Maar wat als degene die haat zelf ontkent dat men haat, maar zegt alleen maar te spreken van de waarheid? Of misschien wel toegeeft dat men haat, maar ontkent dat men (ver)blind is, maar juist de waarheid, ’t gelijk, in pacht heeft, méér ten minste dan die anderen die men zo haat.

Haat valt te begrijpen: als jou of je naasten – met wie dan ook je maar als je naaste ervaart of ziet – vreselijks wordt aangedaan, dan is haat, blinde haat, een gewoon menselijke reactie. Vanuit aangedaan (onnoemelijk) leed en pijn kan het makkelijk zover komen.

(Tuurlijk kun je proberen zelfs met zulk onnoemelijke wrede pijn op zo’n manier om te gaan dat je niet vervalt tot haat. Een alternatief, wellicht ook niet de beste manier, voor haat is je terug trekken, steeds verder, of misschien zelfs wel helemaal uit dit aardse bestaan. Er zijn er die “kiezen” voor ’t laatste en dan ook maar zoveel mogelijk anderen willen meenemen: alles om maar “gezien” te worden, om je “gezien” te weten. Je gezien weten, letterlijk of figuurlijk, geeft een gevoel van ten minste énige zin aan en van ’t leven. Nog een manier is praten over de wreedheid met anderen; maar dat praten kan net zo goed opluchten als aanwakkeren: het is maar net hoe, met wie, en wat wordt gezegd, besproken. )

Haat leidt ertoe dat men mensen tot objecten van haat maakt, tot objecten waarvan al het menselijke is of wordt ontdaan, figuurlijk zowel als letterlijk, zodat ook elk mogelijke verwantschap, gemeenschappelijkheid niet meer wordt gezien, niet meer kán worden gezien of ervaren; zelfs als zou het alleen maar het besef zijn dat óók de andere een levend mens is, met allerlei gevoelens, ervaringen en gedachten die elk lid van de menselijke soort wel kent; elk levend wezen van welke soort ook kent, min of meer, veel van dezelfde gevoelens en neigingen, verlangens of driften, als wij mensen.

Toevoeging [14 juni 2025]:  allicht psychologie van de koude grond, maar de reden waarom men zo makkelijk bij onnoemelijk aangedaan leed tot haat kan vervallen – waarbij men de veroorzaker van dat leed tot object maakt, zonder enige menseljikheid – is wellicht, dat het makkelijker te begrijpen valt hoe iets wat niet menselijk is, wat geen medemens is, tot zulke gruwelijkheden kan overgaan, dan te (moeten) begrijpen hoe een mens tot zulke vreselijke, “onmenselijke” daden komt; helaas bewijst de geschiedenis, zelfs de praktijk van dag tot dag, hoe mensen tot daden overgaan die als onmenselijk worden bestempeld, Het menselijke van onmenselijkheid valt moeilijk te verenigen met de behoefte aan zingeving, betekenis en zekerheid….

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *