Drama in de dop

Twaalf eendekuikens veel te laat
uit de dop in de herftst over straat
Vraag ik mij af welk lot hun is beschoren
gaan ze met de gevallen blaren verloren.

Nu trippen ze nog vrolijk, kloek
achter de moeder aan op zoek
naar beschut water in de buurt
zodat hun leven even langer duurt.

De bladeren zijn nu rood en geel
Dit jong lentgebroed is mij te veel.

 
 
 

Het zij

Ongemerkt glijdt de tijd me voorbij
tot op zeker moment de klok
me in de ogen kijkt en met een schok
In gedachten verbleef ik aan jouw zij.

Hoe zal ik nog langer bij jou verpozen
te middernacht. Geen ander gekozen.

Het zij een lot uit de loterij.

 
 
 

Opgekikkerd

Op de bodem van de sloot
liggen de kikkers bijkans dood
Overleven ze met de antivries in hun lijf
De trekvogels afgemat op hun winterverblijf.

Steken ze die gevederde broeders naar de kroon
De diversiteit van de natuur is wonderschoon.
Ze verheffen luiheid tot een kunst
en zie ik bijna groen van afgunst.

 
 
 

Pril

Streel ik haar onverbloemde huid
Gepaard met fluisterzacht geluid
In een oogwenk haar oorschelpen rood
doorzichtig, zoek ik de warmte van haar schoot

Zijn we helemaal weg van elkaar
Komt de betovering tot een abrupt eind
Komt het leven weer vastomlijnd
Rest ons nog slechts één gebaar

De dag kruipt wederom in onze huid
Begint op bed met thee, beschuit.

 
 
 

Momentum

Men wordt geboren
Men gaat dood
Is het allemaal lood
om oud ijzer, van de hoge toren
blaast men of vanaf begane grond
Van de tijd verliest men even goed terstond.

 
 
 

Aan de horizon het donker gloort

Familie zwaan zwemt mij voorbij
Peddelen met hun gevliesde tenen
door het zoete nat, gaan henen
vanwaar zij op het water zaten voor mij.

Laten mij achter aan de kant
Hier laat de kou zich zien in waterdamp
waar ik me aan de warmte vastklamp
In de verte kust de zon de rand.

 
 
 

Op de tast

Mijn handen blijven leeg
Met woorden tracht ik die te vullen
Een echo keert slechts naar mij terug
Warmte die in de zin ontbreekt,
Vinden ze slechts elkaar
en hun vingerwijzing onafgerond.

 
 
 

Om arm

Nu zou ik je wel naast me willen
Maar God mag weten waar Je blijft
En ook van Zijn, Haar of Dat bestaan
ben ik Onzeker. Maar wat wel beklijft:
als ik ooit Je Hart voel,
wis en warempel wordt Het een mooie Boel.