Erbarmen

Mijn god, de zon schijnt
ten minste zo, dat hier dan
het kleinste tot leven komt
en al het andere; al
is het eten en gegeten
worden, de schepping
van hemel en hel op aard
Mijn god, daar verbleekt
u bij ten ene male.

 
 
 

Wie zegt dat?

Al die voetstappen
of het nou is op asfalt, stoep of zand
of het nou is op bospad of het strand
Al die pootafdrukken gevangen in de aarde
fossielen van tijdperken her
uiteindelijk zullen ze nog meer weg zijn
nog meer weg en verkruimeld, opgelost
opgeslokt door lava
door de zon
niets overlatend van wat ooit
mooi was, lelijk was
leven was.
 
En wie dan niet meer wil
wie geen stap meer wil zetten
wie zelf dan de deur dicht doet
wie is dan degene die zegt
dat het leven wel van waarde
is, wie zegt dat dan met recht
wetend dat alles eindig is
tenzij in woorden en verhalen
die dat verhullen
een zwart gat bezweren
of een wereld toveren voor jou.

 
 
 

Niet van steen

Van ver weg
hoor ik, zie ik
met gemis en verlangen
dan zo dichtbij
dat ik het niet houd
dan in mijn hart
dan in mijn keel en ogen
waneer dan te ver
om aan te raken, om te ruiken
om van proeven niet te spreken.

 
 
 

Herfst, achter in de middag

(vanaf het balkon)
Het meer ligt er weer bij
aan mijn voeten
Het zonnetje op mijn bolletje
laat me verkeren in de waan
dat ik nog jong ben
en misschien onschuldig bovendien
 
Met de zee vergeleken
blijven we allemaal piep.

 
 
 

Geen Dik Trom

Geen vader die ’t bezigde
en geen moeder ook
dat “’t is een bijzonder kind, en dat is ie”
Niet dat ik ook maar bij Dik in de buurt kwam
qua kattekwaad, of in die van Pietje Bel
Een magere trom, en dat ben ik
(goed luisteren om te horen)

Zeelijn

Heel even
zonder nadenken
woorden komen
en gaan
wat ik wil zeggen
is dat de zee
aan de branding
altoos maar een lijn vormt
al is het vloeibaar

De wereld aan mijn voeten

De wereld ligt aan mijn voeten,
maar ik lig op mijn beurt
aan de voet van de wereld
Atlas is er niets bij
of anders Sisyphus
Op mijn rug zie ik slechts de hemel
al wat in de hemel wordt weerspiegeld
Vooralsnog trekken de wolken voorbij.

Heiig

Nee, alleen bij hoge uitzondering
mag ik de heide en verder niet
het zandige landschap
wat alleen bij nadere bescchouwing
wat kleur heeft
wat in het hoogseizoen ervan
de grond drenkt in paarse saus
tenzij in avondlijk strijklicht van de zon
als zelfs het meest afzichtelijke gloeit
en mijn hart verwarmen mag.