Was het maar weer maandag II

Vandaag ben ik nog niet jarig
en de zon glijdt langs mij heen
ik heb deze dag in bruikleen
het is allemaal wat karig

Koffie zet ik uit gewoonte; ik dorst
tenslotte, dat is natuurlijk en brood-
nodig, geeft het alsnog een stoot
wellicht, de avond is nog niet vermorst

en dan is het wachten op de nacht
en hoe die wordt door gebracht.

 
 
 

Meerdimensionaal

Fel klaart het op
waar wolkenpartijen een lust
zijn voor het oog; mijn humeur
is navenant getekend; ik zoek
het gat waar doorheen zij in mij
binnen komt, waar wij doorheen
gaan met vleugels gespreid.

 
 
 

Dooiaanval

De dooi slaat tegen het raam
Ik zie het aan en onder ogen
hoe het ijs zich verweert
Ik sta er boven, langzaam
wordt het wit voormalig
en tot grijs en bruin gekeerd.

 
 
 

Onder de wol

Het bed is droog en warm. Nog wel
De tijd is nog niet aangebroken
voor het nachtzweet. Ik vermoei
mij nog met woorden;de schapen
zijn ontelbaar. Ik laat ze maar
met rust, bij elkaar gekropen in de wei.

 
 
 

Opmaat

Lichtvoetig over de snaren
beweegt de strijkstok, meer nog
Geen noten meer
op mijn zang. Ik zweef weg
Het volgende deel wacht.

 
 
 

Als vanzelf

Het water stroomt niet vanzelf
Bedrogen aan de beekoever
Ogenschijnlijk gemakkelijk. Begoocheld
door het glinsteren en het ruisen. Stil
neem ik een hoge vlucht in gedachten.
De oorsprong loopt spaak en zo de monding.

 
 
 

Sneeuwval

Het pad is begaanbaar, ter weerszijden
gaat men over over sneeuw met slee en al
wie het knerpen wil onder de voeten
zolang het wit nog niet verijst is
zolang de dooi nog niet heeft toegeslagen

Er hangt een extra stilte in de lucht
en de heethoofden koelen af.

 
 
 

Gevloerd

De kamer is alleen maar
een ruimte, met ons
de ruimte waar wij ons bevinden
hervinden, vinden, zij
het op de tast, zij
het vol licht in ons ogen
waar de warmte aan ons is.

 
 
 

Sprankelend

Onlesbaar onze dorst
elkaar nabij te zijn, te delen
van onszelf, van jou, van mij
van de wereld, van al het moois
het donker tegemoet te treden
met lichtere tred en samen
van de wereld te zijn
daarheen waar geen één meer is
en ons te hervinden bij elkaar.