Onderbroken

De regen fluistert dat ik wel weer
kan slapen. Ik droomde mij wakker
dorstte naar meer, nog steeds
hoor ik weinig, warm in bed
de stilte nekt me nog een keer.

 
 
 

Inwaarts

Het slik ruikt en zuigt
Ik glij vooruit en bijna uit
terwijl mijn oog afdwaalt
naar de wolken, de golven
die glinsteren in het laatste licht
terwijl ik mij verlustig aan rust
Ik keer terug.

 
 
 

Nadagen

Buiten ging ik tegen het lage zonlicht in
zo groen alles nog, strak blauw de lucht
om van de wolken niet te spreken

Fris beet alweer de wind in mijn handen
aan het stuur; alleen
miste ik de ijscokar in het plantsoen.

 
 
 

Nachtwake

Voor de wind maakt het niet uit
of het licht is of het donker is
en ook mijn hart blijft kloppen
maar buiten houdt al het dagleven
zich eens temeer schuil
en doet zich geen geweld aan.

 
 
 

Verwijlen

Binnen. De wind buiten
om het huis houdt me gezelschap
onzichtbaar, ontastbaar, door de kruinen
van de bomen in de nacht
de stilte en de leegte naast me
zijn niet onverwacht, alleen
weet ik toch wel menigeen
die mij nog wel even zou gedenken.