Bind mij er maar één voor
voor de ogen. Dan rest nog
alleen wat ik hoor, wat ik voel
om van reukzin niet te spreken
Ik kán niet meer. Misschien
zo af en toe trek ik even
die blinddoek omhoog
om in ’t voorbijgaan te kijken
naar de wereld, hoe de wereld
er aan toe is, wat er zoal
zich afspeelt, zich voltrekt, zich blind
in de afgrond stort, wapperend
met armen wijd als vleugels
dansend op benen als op vast grond.

