Opgesloten in eigen kring
in zelfgekozen verbanning
voelt men zich soms meer
verwant met de geboorteplaats
van hun ouderen
dan de plaats waar men tegenwoordig
een halfslachtig leven leeft.
Opgesloten in eigen kring
in zelfgekozen verbanning
voelt men zich soms meer
verwant met de geboorteplaats
van hun ouderen
dan de plaats waar men tegenwoordig
een halfslachtig leven leeft.
Niet enig ben ik in mijn soort
En masse staan we voor de poort,
Beeld en geluid, ze maken ons wijs
hemel op aarde, winkelparadijs.
Bezwangerd door kooplust en in nood,
schappen nemen ons op in welkome schoot
Reikhalzend kijken, armen strekkend, lijf aan lijf,
alleszins een sensueel verblijf
Mooi en Schoon. Fris en Lekker. Onvoorstelbaar Stoer.
Groepssex op de winkelvloer.
Hé, kijk me niet zo aan
Wat moet je?
Heb je het soms tegen mij?
Wat moet je?
Blijf met je poten van mij af
Wat moet je?
Als ik je zien wil
kom ik zelf wel naar je toe
Als ik met je praten wil
bekijk ik dat wel zelf
Als ik zin heb in een potje neuken
roep ik je wel bij me.
Kijk, een nieuw milennium is ontwaakt,
maar slonzigheid en burgerpak,
het is de overeenkomst die mij raakt.
Een opvliegend stel, lui die al te vast geloven,
alsof ze een voorschot nemen op een plaats naast god,
voelen zich machteloos, onzeker, vangen bot,
waar het verlangen zich niet laat doven.
Grond voor twijfel is ondenkbaar.
Zo zet men dan een luide stem op
of wendt men zich af en houdt zijn kop,
zoekt de veiligheid bij elkaar.
Daarin lijken zij toch gelijk,
het gelijk vinden zij aan hun zijde,
zet men elkaar als ongelovigen te kijk
Laten zich beledigen, gaan te keer
ondanks god almachtig, die hun scheidde,
alsof het gaat om lijfsbehoud. God, wat zeer.