Ach, kon ik maar met woorden
zomaar door tijd en ruimte
een gat slaan
en precies zo gehoord worden
als de oren van de ander staan.
Ach, kon ik maar met woorden
zomaar door tijd en ruimte
een gat slaan
en precies zo gehoord worden
als de oren van de ander staan.
In gedachten verwijl ik
de wereld van mijn dromen is niet
geschapen, de appel die ik pluk
jij bent te ver om aan te geven
druppels in het web van mijn gedachten
parelen in mijn hart.
Zo lang zwem ik al alleen
Reik jij dan naar mij
weet ik niet anders
dan je vast te houden
met onze hoofden bij elkaar
rustend in elkaars armen
stil te staan en de zee
achter te laten
en vrij te ademen
naar mijn hart, jouw hart.
Eén vlinder mij nog aankijkt
van de velen die zijn gevlogen
ze me met haar ogen
op haar inblauwe vleugels
stil vraagt of ze mag zetelen
vanuit mijn buik in mijn hart
om mij daar te beroeren
waar ze zich thuis voelt.
Het komt je vast niet onbekend voor
dat je een buik hebt en een hart
het laatste wel zuiver
het andere je vervult met huiver
en je hoofd rond tolt en verward
met liefde de lust tussendoor
komt en daarvoor je dan woorden schrijft
zodat enige vaste grond nog over blijft
het punt beklijft
dat jij met al je zinnen
hier bij me leeft van binnen.
Ik pluk nog maar een bloem
blindelings uit het veld
en sla geen acht op de distels
en de doorns
onder een strak blauwe hemel
schijnt de zon met gemak
druk ik haar aan mijn borst
die het veld heeft geruimd.
De vlinders zijn gevlogen, alleen
hun schaduwen fladderen nog
de rupsen van verlangen knagen
Deze keer werd de appel niet gedeeld
Het vruchtvlees en de pitten vergaan
zonder te gedijen.
Zij is zo aards als wat
gewoon niet van deze wereld
en als zij lacht
wil ik niet anders
het leven vieren en de teugels.
Alleen ijsbloemen bloeien nog buiten
en wat er bloeit in mijn hart
dat vertaalt zich in woorden
daarvan de vrucht nog wacht
Wat zou ik willen geven
als ik je haar kon ruiken
als ik je mond kon zien welven
in een glimlach deze nacht.