Een jonge kraai op een lichtmast
vliegt met steunend gekras
met wapperende vleugels alras
steeds weer terug, naar zijn moed tast
voor nog een waagstuk
en vliegt zich nog een ongeluk.
Een jonge kraai op een lichtmast
vliegt met steunend gekras
met wapperende vleugels alras
steeds weer terug, naar zijn moed tast
voor nog een waagstuk
en vliegt zich nog een ongeluk.
Van verbazing sta je daar met open mond
Ze vliegen steeds maar boven water, grond
met wijd open gesperde bekkies
eten ze hun feestmaal insekten, zo onkies
wat mij betreft, maar zonder zich te verslikken
zitten ze er in volle vaart van te bikken
Van diëten en al vergelijkbaar leed geen weet,
zijn brooddagen, sapkuren en fitness aan hun niet besteed.
Een kei aan ’t ijs ontsnapt,
een kiezel verderop
Een larve die zich tot libel ontpopt,
flonkert vliegensvlug en kort
Een eeuwigheid aan leven
Geen oerwoud hier te lande
Kaalslag bracht er zand en heide
en zelfs daarvan rest alleen cultuurgoed
Rest een oerwoud van regels aan recht gevat
om recht te doen aan de gulden regel
van gelijke monniken, gelijke kappen
dat verzandt in gemier
advocaten en juristen zijn de woudlopers
van dode letters op papier hier.
Loop ik in 7 sloten tegelijk,
ben ik 7 benen rijk.
Een freak, een monster en een dinges
rijp voor het Book of Records van de Guinness,
een paar avonden op de buis
en wellicht wat u-tube ruis,
apart en beter dan de rest,
vliegt er ééntje uit het koekoeksnest.
Het doet mij echter zeer verdriet,
een koekoeksnest, dat zie je niet.
Niets kan ik doen
aan het verwelken van een bloem
Haar vasthouden bederft haar schoonheid
Teveel daarvan kwelt mij zeer
Lichte rijp op het gras
Lange schaduwen op straat
Kortstondig dampt het water
Heel stil sta ik
Zacht gaat het aan mij voorbij
Gakkend met gestrekte nekken
peddelend door het water vliegensvlug
winnen ze de vijver voor zich terug
met slaande vleugels, wijde bekken
zo koddig en zo tam nog niet,
jagen ze het andere paar daar uit het riet.