Groene kerst

Dan branden we maar
een witte kaars of wat
De winter is een kat
in de zak met misbaar

In de vrede zit de klad
al voor het zoveelste jaar
Grove woorden, alles waar
Groter, grootst is het je-dat

Zoeken we ons welbevinden
in genoegen naar ons hart
om gebroken gemoed te binden

om zacht te maken wat is verstard
door wat de jaren inden
Leef licht! Leef op! Zo zingt de bard.

Geboerd

Weet je nog
dat je woorden spuide
bij de vleet zelfs
met een woordenschat
van hier tot ginder?

Weet je nog
dat je er nooit om verlegen zat
aan één woord genoeg had
om een verhaal op te dissen
met kop en ook nog met staart?

En je wist verhaal te halen ook
En het legde je geen windeieren
En dat dat je nu van pas komt
nu je met je mond vol tanden staat
al neemt de verzorger je die uit
voor de nacht.

Bezegeling

Het hart klopt maar
door, vooralsnog
en zolang laat ook het denken
het niet afweten
al kleunt het nog zo vreselijk mis
bij tijd en wijle
al leeft het op het laatst
op de sporen van verleden tijd

Ondertussen
is een kus nooit weg
van wie je vertrouwt.

Roeien met de riemen

In het licht van
al wat is opgetuigd aan
wetten, regeltjes, punten en komma’s
– in de drang naar objectiviteit
van gelijke gevallen, gelijk behandelen –
raakt rechtvaardigheid zoek
bij veronachtzaming van verschillen die er toe doen
van al wat toch niet gevangen kan
worden in de letter van de wet

Hoe lang nog is dat ’t minste van alle kwaden
van willekeur en kromspraak
van wie maar aan ’t roer staat
en de zaken slechten
al is het maar op punten en komma’s

Je zou ’t willen:
wijzen aan de macht en voor ’t zeggen
goden die alles wisten
en konden zien in ieders ziel

Maar die zouden ons niet overleven
Wellicht moeten de riemen vervangen worden
zo af en toe
en de roeiers gelijk.

Geput

Je valt in een omhelzing
in tranen
Je wilt niet alleen zijn
met je verdriet, met je vreugde
of je gaat al al te lang geharnast
en je weet niet meer
hoe je je dorst lest.

Allicht

En dan heb je van die momenten
dat het wel lijkt
alsof je met zevenmijlslaarzen
je een weg hebt gebaand
– of ten minste afgelegd –
door het leven
als je dan even niet stil staat
bij de tijd
opgebeurd dan wel zwaar te moede
lichtzinnig

[en achter de wolken schijnt de zon
en in het heelal is het dan weer donker
al schiet het licht er doorheen
tot het raakt ].

Klaprozen

Er bloeien nog wel wat
bloemen in de zomer
na de lente, voor de herfst
terwijl de zon brand
schieten klaprozen door mijn hoofd
bloedrood
en ook papavers en wat margrieten
zomaar tussendoor
terwijl ik binnen de koelte zoek
terwijl zweet mij paarlend drenkt
terwijl ik mijn bewegen afmeet
sta ik nog niet droog
en spiegel me maar een beetje
aan het tere felle rood
dat in het oog springend toch bloeit.

Seizoen, zo zei ze

Zag ik je al een week of twee geleden?
Zo vlug boven ’t kanaal. Zeker nog geen zomer.
Misschien een vroege vogel, zomaar een zwaluw

waar ik vanavond zeker was van mijn blik
weer een jaar verder dat jullie het niet laten
afweten en de al lange lichte tijd vraagt weer

met blote armen, luchtige kledij
de warme dagen tegemoet te treden
– dag in, dag uit –
met een oogopslag of wat.

foto Job Antoine

Paradox

De vrede moet
bewaakt worden, gehandhaafd
En daarom de afzettingen
de camera’s en de wapens
zichtbaar en niet
want vrede is nog een utopie

Best vaak is er ergens geen geweld
geen ruzie, geen woorden of handgemeen
maar vrede ligt nog best wel in het verschiet.

Eva

Zij was geen chimpansee
en Adam ook al niet
Ergens zullen ze wel zijn geweest
de baarmoeder en het zaad
die in het licht van die tijd
die in die omstandigheden toen
hun voordeel deelden
en keer op keer wisten te verkeren
waar gelijkaardigen
– misschien wel aardiger –
achterbleven in het paradijs
bovenaards, onderaards, aards, weg.
Rubens: The Fall of Man, Adam and Eve