Je kwam aan
en we dronken een koffie
dicht bij het hoofdstation
Je moest verder
en buiten ons mocht niemand weten
van ons twee en hoeveel
hart we deelden
Daar bleef het bij
Alweer een gepasseerd station.
Je kwam aan
en we dronken een koffie
dicht bij het hoofdstation
Je moest verder
en buiten ons mocht niemand weten
van ons twee en hoeveel
hart we deelden
Daar bleef het bij
Alweer een gepasseerd station.
En toen was je er
uit het niets
en opeens wist ik met lijf en al
hoe het was samen te zijn
en alles te vergeten
al was het voor een moment of wat
Dat was toen
en al ben ik dan onderhand van nadien
mijn hart staat
min of meer open
en mocht je voorbij komen
wie weet
wil ik je wel proeven
wie weet
mag ik ons wel.
Opeens ben je daar
in de wereld geboren
zo klein, zo groots
tegen alles in
tegelijk voor alles
In welke wereld
dat is de vraag
en juist daarom
eens te meer
omhelsd, gekust
om je gedragen te weten
als de tijd komt.
De avond is voorbij
midden in de nacht
zou je kunnen stellen
of het begin van de ochtend
van de dag die is aangebroken
– met een slok op is alles waar, zwart-wit –
In het café loopt de tap
en daar in een uithoek van de wereld
met alleen oog voor elkaar
is de ene dronk de andere waard
de wereld in een notendop
terwijl we elkaar verstaan
’s ochtends weten we niet meer
al zijn we rijker.
Mocht
je me raken
al zie je er niet uit
al ben je niemandal
al loop je op je laatste benen
dan vliegen we toch
op en vervluchtigt alles niet ter zake
en weten we niet meer
van me dit en me dat
en is alles opgelost
Mijn knie – de linker –
heeft er niet echt zin meer in
beweegt het liefste in één vlak
zeker niet zijwaarts
En op mijn lichaam tekenen
zich allengs meer vlekken
af in mijn huid tegenwoordig
Haren vielen al uit
boven op mijn kop
en blijven maar groeien elders
en grijzen in de loop van de jaren
Mijn gebit blijft langzaamaan ook
in gebreke en laat mij kiezen
tussen doorbijten
of een tandartsrekening
die ik gelukkig kan verteren
Met mijn lust kom ik nog wel klaar
Mijn verlangen en de rest
vertrouw ik toe aan spreekwoordelijk papier
Gewend onderhand aan mijzelf
en het ongemak alhier
Misschien, misshien
kan ik het glas heffen
op een moment samen
voor mijn einde der tijden
tot dan blijf ik maar de wereld groeten.
Het balkon is daar
en het uitzicht
aan de rand van de stad
– Groningen, het Hoornsemeer –
De zon schuift voorbij
mijn zuidkant en mijn westen
soms verborgen, vaak toch even zicht-
baar, tig fusiebommen zo ver weg
zo groots en zo lang achter elkaar ook nog
dat ik mij verheugen kan
in mijn eigenste warmterekening
waar de rillingen
mij van over de rug lopen
figuurlijk.
Veel mensen heb ik niet
om me heen
Natuurlijk, net zoveel als iedereen
op deze ronde aarde
Alleen
wie me dan na staat
en ook nog voor langere tijd
dat is vers twee
Gelukkig
kan ik nog vol schieten
ontvankelijk, ongewapend
te moe om muren op trekken
[ elk nadeel heeft z’n voordeel ]
Vandaag ging ik niet alleen
voor de zoveelste dag
sinds ik ter wereld kwam
onder de zon, maar mocht ik
me bijkans baden
in ’t licht, er tegenin kijken
op mijn terugweg
zozeer niet van hot naar her
zij het niet blindelings
maar met oog
voor passanten, boten aan de wal
voor de kalende bomen
paden vol gevallen blad
een enkele vogel die niet gevlogen was.
Bij gebrek aan
wat lieve woorden zo nu en dan
een kus of wat
een grap die wordt verstaan
gedeelde lach, tranen
al dan niet met tuiten
een fluistering dicht bij het oor
een roep, groet, over straat
wat toch iedereen
wel kent, belieft
Zo verschillend zijn we niet
al zijn we stuk voor stuk alleen
en enig en wat dies meer zij bovendien.