De hort op

De klanken van het klankbord
verloren in een kakofonie van geluid
De stilte en het kleine binnen
het lijken te hebben verbruid
en schoonheid en lelijkheid van zinnen,
meer en meer, in de wereld worden gestort.

 
 
 

Ach heden

Geen flauw idee en nooit gehad
waar ik ben en waar ik sta
in dit leven in dit heelal
maar dat interesseert me ook geen bal

er was een tijd vol van die vragen
steeds bleven ze me belagen
Vervolgens liet ’t begrip me in de steek
toen ik alles met van alles vergeleek

Ik liet het er niet bij zitten
en leefde steeds van dag tot dag
terwijl mijn hoofd ging pitten
het verleden doet zich gelden met gezag

 
 
 

Luchtig

In de houtgreep gehouden door de lucht,
zuurstof, CO2 en nog wat van die gassen
weet de aarde me te verrassen
zo groots een klein gehucht

Eencelligen, soorten die  welig tieren
leven zonder meer in lust
de zon die zonder onderscheid ons kust
leven in alle hoeken, gaten, kieren

Liefde gepaard aan moord en doodslag
daaraan kleeft geen enkele leugen
de mens heeft er een hard gelach

Drink het in met volle teugen
de sterren zeggen het met gezag
immer, hier en nu laat zich niet heugen

(’t is mooi geweest, ook al is ’t voor een nach’)

 
 
 

Gestrikt

Tot vervelens toe staan we weer op
Elke dag maar weer dat frisse moeten
Teveel om op te noemen bij de vleet
Ook hoogtepunten in routine gekleed

Een ritsje hier, een knoopje daar
tegen de kou, voor norm of plezier
Deuren openen dan wel dicht doen
gedachteloos, wringt er geen schoen

 
 
 

fluitsignaal

Vanaf de zijlijn van het speelveld
speel ik mijn eigen melodie
Dan klinkt het alsof er wordt gebeld
Dat veld: ik alleen maar lijnen zie.

 
 
 

Uitglijder

Zinnen komen en gaan
En allengs raak ik buiten zinnen
Eet liever een banaan
dan aan een nieuwe te beginnen

Langzaam ik op mijn woorden inteer
Ik tot slot mij woordeloos verkeer.

 
 
 

Lichtval

De avond valt, de morgen breekt aan
Ik kan het niet verstaan
Het is de zon die maakt ruim baan
voor de sterren en de maan.

 
 
 

Bij hoog en laag

Middernacht en wie nu nog lacht
de ijscoman wacht
die stelt je koud en lepelt je op
tegen verwachting in krijg je klop

al naar gelang de smaak van d’ opperheren
god of duivel, dat is me om ’t even
hoe dan ook verlies je toch je leven
als die creaturen je begeren.

 
 
 

Appeltje, appeltje

Eet een appel, eet bewust
verslindt de tijd in lieve lust
Kruisbestuiving, ’t spelen met de genen
tot aan de zondeval aan toe
de smaken die ze er aan verlenen
van groen tot rood, van zoet tot zuur
zo ben ik appels nog lang niet moe
en dank ik Eva tot in mijn tenen:
dat fruit is eigenlijk gans niet duur.