Randfiguur

Tuurlijk ben ik niet de enige
die ’s nachts alleen ligt
– bij lange na niet –
die zelden zo huid op huid
contact maakt, weet te raken
– buiten woorden om –
en zich er van alles bij kan voorstellen
al is dat overdreven
en schiet dat tekort tegelijk
– bij ervaring van wat momenten –
al is het natuurlijk
een kwestie van opeenvolging
van momenten van zus naar zo
en dergelijke. Een afslag
of wat gemist? Dat is de vraag.

Parijs, Parijs

En even verderop brandt het
naast de deur, open of dicht
maakt niet uit; altijd al
is de hele wereld vol van alles
zo gek als je niet bedenken kan
met zoveel leven, zoveel mensen ook
zoveel momenten waar de tijd
van geen ophouden weet
en het leven onophoudelijk tot bloei komt
onophoudelijk het loodje legt

Kijk maar in een oogopslag.

Sprekend

Je beweegt je door het leven
door het leven bewogen
en alleen in woorden
– daargelaten een enkel gebaar
en met je ouders vluchtige omhelzingen
zolang als het nog mag duren –
raak je je naasten
raken je naasten je
schiet je bij ontstentenis vaker vol

Ach jongen
je bent een jaar of drie, veertien
en onderhand al heel lang ook wel
van den ouden van dagen

Soms ben je zus
Soms ben je zo
Het hangt er maar vanaf, vanaf
de tijd en het moment

Ik weet niet beter.

En wat

Vandaag kreeg ik de dood aan de lijn
zo even terloops
tussen alle andere gesprekken door

Haar beide kinderen waren
zo wist ze te vertellen
in een een ongeluk

en één was dood
de ander aan het revalideren

en een brief vertelde haar
dat ze geen recht op geld meer had
voor de opvang
per die datum die de gemeente had

van net drie weken terug
toen alles nog anders was.

Van vandaag en eertijds

Langs de bouwrijp gemaakte
bouwplaats snoof ik de geur
van zand en klei, van vers cement
van toen ik nog speelde
aan de randen
van de nieuwe wijk de Ripperdadrift
daar te Uithuizen, bewapend
met geelbeige proppebuizen
en misschien dat resthout
door onze handen verkoolde
in een terloops vreugdevuur
voordat het écht te laat werd

Tot slot

Geef me nog een woord, een
ademtocht. En nog één, en nog
één en een paar jaar. Zoveel nog
dat ik nog even kan doen alsof
het einde nog ver weg is

En onderhuids stroomt
het bloed rood
van leven, van liefde, teken
van gevaar, als het vrijuit
gaat. Een stoplicht, een hart
met een pijl erdoor laat
de wereld stil staan
voor je het weet.

Alsnog

Was ik maar
een rups, dan kon ik
een vlinder worden

De rups daarentegen
heeft daarvan geen flauw benul

en eet maar dat het een lieve
lust is en als het tegenzit
wordt ie nog gegeten ook

en dient zo alsnog
laagbijdegronds het leven.

Vermocht

Die klote wereld ook
heeft zoveel moois
En vast aan alle schoonheid
kleeft de keerzijde

Een pas de deux op het grensvlak
dat is de kunst
zo spreekt de mond
tegen de ogen en de oren
links, rechts gaan de lede-
maten en de tastzin
voeden dat ene hart
van kamer tot kamer
op de adem, in en uit

vermag ik voort te gaan
en verder
tot het verscheiden, weg
van alle grenzen, vlakken

om niet teveel bij stil te staan
om me niet voorbij te lopen
eer ik een schim ben van mijzelf.

Het schip ingaan

Zoveel stemmen, zoveel gezichten
en als je nabij bent
is het net zo goed te dichtbij
en scheppen woord en gebaar
zo’n groot misbaar
dat de afstand tot elkaar
hemeltergend wijds zich uitstrekt
als ware de mens per se gevaar.

Vrije wil op verkiezingsdag

Mijn ogen dwalen
of kijken ze waar ik wil?
Naar links, naar rechts
naar het gras tussen de tegels
een kat die me in de gaten houdt

Weet ik veel waar ik naar kijk?
Maar goed dat ik niet hoef
na te denken en niet stil
te staan bij elke beweging
die ik maak
En of ik die maak?