Och, mocht ik maar een noot zijn
één op de balk van Vivaldi
en van Mozart, Pergolesi en Beethoven
van Schubert en van Brahms
– ik laat me kennen hier –
Wat zou ik een compositie zijn!
Een wereld
die getekend wordt door reclame
Meer! Meer! Meer!
Dit moet je hebben! En dit!
Ik ben geweldig! Lekkerder bestaat niet!
Goed, beter, best! En goedkoop!
Het is geen geld!
Zo kostbaar vind je het nergens! Uniek!
De littekens laten zich raden
tot onze wereld één open wond is.
Een punt, dat is de clou
Wist je het dan niet?
Wat het zou worden, als je
niet wist wat je wilde?
Een dood punt? Ja, dat kon ik
wel bedenken. Bij gebrek aan
hoop, vertrouwen en geloof
en misschien wel liefde ook
wist ik echter niet beter
dan uit armoede bij de dag
te leven, een soort van
kan je zeggen, om niet te zeggen:
overleven tot de toekomst
een tijd dat niet alleen
het hoofd vrij is in zijn denken
maar ook het hart vrijuit kan kloppen
en de mond volmondig zeggen kan:
het leven is niet vergeefs
Eénentwintig maart [dag des oordeels]
Straks komt de lente
weer, zelfs al is die tegenwoordig
allang onderweg, met dank
aan ons velen, die ook nog ‘s
voorbij de pas op de plaats gaan
En je zou het hen wel kwalijk nemen
als je niet in hun schoenen
hetzelfde zou hebben gedaan
uitzonderingen daargelaten:
de fines fleurs, die weten te bloeien
boven het maaiveld
maar alsnog de zomer niet brachten
De oogsttijd laat nog steeds te wensen over.

Joost (Eerdmans) mag ’t weten
Och, we zijn als Nederland maar klein
Wat betekenen we nou op ’t wereldtoneel
Wat wij kunnen: ’t is niet veel
Zo klinkt ’t van rechter zijde, een rookgordijn
Maar als wíj al niet hier in de rijke landen
écht het roer willen omgooien
en slechts met dijkverhogingen willen klooien
zeg dan ook waar we in belanden:
een wereld waar we elkaar slaan
zonder de handen in elkaar
waar de kinderen op drift gaan
en teloor, behalve die van de kleine schaar
die ermee weg komen, erboven staan
De kleine lui: die zijn ermee klaar, de sigaar.

Afzien
Vooral wil ik dan met jou
een dans dansen
die boekdelen spreekt
tot onze harten, ons hart
– als we dan toch samen smelten
al is het, al is het juist niet van moeten –
Misschien dat je ergens daar bent op aard
die mijn idee van jou dan raakt
of onverwacht en ongedacht
me beroert, ontroert
en van m’n sokken blaast
Je bent er vast wel
– en wellicht, allicht niet als enige –
maar mijn hart klopt vast, gestaag
in het zicht van de doodlopende weg
wil ik nog wel een afslag nemen
de afslag, ongewis
vraag ik me af.
Van oude dingen die voorbij gaan
Nooit dacht ik echt
dat ik wel
honderdéénenvijftig
of voor hetzelfde geld wel
honderddrieëntwintig jaar
zou worden; hoewel
uitgesloten is het niet
– niet tot de dag daar is –
en ik was nog wel nieuwsgierig
hoe het de wereld
en zo
zou vergaan
en voor mijn part zou ik daarvoor
wakker blijven tot St. Juttemis
Tegenwoordig ben ik wat huiverig
hoe misschien wel de wereld vergaat
– die van de mens
en wat al niet in diens kielzog –
en hoef ik niet zo nodig meer.
In vrede [ Verliefd ]
In het veld in de zon
hoor ik opeens, weg
van mijn gedachten,
in alle rust, alles om
mij heen, dat klinkt
open voor heel
de wereld, heel
de wereld open.
Ach ja
Dat ene dingetje
dat ik er mag zijn
mag ik nog steeds graag
vernemen van een ander
zo niet van de hele wereld
om mij heen
Het woord reikt maar
tot zover. Af en toe
breek ik en voel ik de pijn
van mijn plaats van deze aard.
Ramp
Nee, er zijn geen woorden voor
behalve dan die je in armoede toch
bij gebrek aan beter
deelt
en die verstaan worden
en je weet:
je huilt niet alleen.

