Had ik maar een arm
om mij heen
die niet van mijzelf was
en wist ik mij maar geborgen
Had ik maar een arm
voor jou ook
Hadden we hart voor elkaar
Allicht schiet je dan tekort
zegt het hoofd
en maakt zijn eigen woorden waar.
…….

Had ik maar een arm
om mij heen
die niet van mijzelf was
en wist ik mij maar geborgen
Had ik maar een arm
voor jou ook
Hadden we hart voor elkaar
Allicht schiet je dan tekort
zegt het hoofd
en maakt zijn eigen woorden waar.
…….

In gezelschap
sinds een maand of wat onder
handbereik, een hele wereld
aan smaak; jij bent er niet
noch jij, noch wie ooit mijn
aandacht had, mijn hart
Voor nu hef ik dan het glas
al ga ik vanavond weg
ook van mijzelf, juist
van mijzelf, al komt
daarmee de wereld alleen
binnensijpelen
en iedereen daarbij
om op te lossen bij het aan-
breken van weer een dag.
O, nee toch
niet overal, lang niet overal
noch alle dagen
trad de mens de aarde met voeten
waar die nu bivakkeert en raast en vliegt
zonder besef van waarvandaan
anders dan uit de moeder en van de vader
zonder besef van waarheen
anders dan dat ten minste dit hier en nu stopt
op een gegeven moment
en dan steeds maar met alles wat ons is gegeven
er zoveel mogelijk van te maken, van dit leven
met horten en met stoten
het je eigen maken
een sprookje
over en uit.
Heerlijk fijn veilig
onder mijn eigen paraplu
Er was eens een bui, in de tijd
dat ik nog onder die van mam
op straat de poppetjes zag op-
springen en dansen, zo
uitbundig al was hun alleen
– maar met met zovelen, met
onnoemelijk zovelen tegelijk –
een leven beschoren, een fractie
van een seconde, zo kort
zo, een leven later
leef ik alweer op nu
onder mijn eigen paraplu.

Dansen? Met mij? Je bedoelt met mij?
Wij samen? Jij en ik? Alsof we
even de tijd doden, in vergetelheid
en onbevangen elkaar echt zien
alle opsmuk voorbij en dat we
elkaar weten te raken zonder woorden
meer nog: zonder elkaar te raken elkaar
aan te voelen zonder meer en om en om
elkaar geven en heen en terug
dat jij lacht, dat ik lach, met ons hele wezen
bij elkaar en zweven in de lucht
bij elkaar en in de greep van de aarde
temeer nog
als onze vingers kruisen en de warmte
van elkaar ons weet in te lijven
in een dans van heupen, mond en ogen
naar elkaar?
Dan, o ja, dan ben jij degeen
van wie ik nooit dromen wou
van wie ik dromen zou.

die is er nog steeds, samen
met vooralsnog alle seizoenen
in dit kikkerlandje
gevormd door water
en de laatste tijd van ijs
In de lente werd ik
nog gewoon geboren
indertijd voordat de tijd
2 x per jaar werd verzet
Stilaan ouder nu moet ik zeggen
dat ik ter wereld kwam, blijkbaar
om 4 uur 57 wintertijd.

Op pad op weg door de stad
uitgekiend de verbindingswegen gemeden
langs het kanaal, langs de wijkvijver
en dan opeens een kleine groene oase
waar ik de geur van dennen weer
elke keer mag ruiken
en waar een gouden hond tegemoet
kwam kwispelen en groette met natte neus
aan mijn hand
en ik voor een moment zo goed als zen.

Wacht even. Een moment nog
al houdt de slang van vermoeidheid
me in zijn greep, grijs en oud, geslepen
Laat me ten minste nog dit mee-
krijgen en geven voor de nacht aan
om nog uit mijn dagelijkse dag te peuren
wat toch ergens in de boezem ligt
tussen het hartkloppen door
[heen]
Ik ging mijns weegs nog door de ochtendmist
de stad was zo stil en je kon de lente
al bijna raken. Veel merels en in de schaduw
van het bosje met de daslook was
de dode reiger weg en op vermolmde stammen
vieren zwammen met brede hoeden hun feestmaal
[terug]
Ik ging mijns weegs en verwelkomde zonnebaders
en menigeen in korte mouwen verleidde mij
tot het uittrekken van m’n suède nachtblauwe jas
op weg voor het weekend voor de open brug
op mijn gemak op weg
naar een geleverd zwangerschapskussen
waar ik een verzwaringsdeken had besteld
en met gemak heb terug gestuurd
met drie keer dan het vriendelijk meisje
van de balie van de super tot gevolg
– alle kleine beetjes helpen –
[uitgedoofd]
de slaappil – nu een week – zet geen zoden aan de dijk
in mij houdt genoemde slang nog steeds zijn leger
maar ergens in me schuilt muziek, is het warm en geborgen
wie weet houd ik ‘m deze keer toch in toom
en bovendien gaat het regenen
en een wekker zetten hoeft ook al niet
Ik zie een beetje uit naar morgen.

Spreken is zilver. Zwijgen is goud
En roeptoeteren is lood om oud ijzer
En woorden uit haat en nijd luchten
lucht je opgeblazen hoofd op
en maakt harten koud
Laat mij maar ademen
in en uit, dat ik kan leven
en spreken en zwijgen kan
naar hartelust.
Al ben je niet voor één gat te vangen
als je er dan geen heil in ziet
geen been ook, noch brood
in ziet en geen gat ook
dan vang je bot
dat zwaar als een steen op de maag ligt.