Voor poëzie

Soms zie ik wel mooie zinnen, maar
begrijp ik ten ene male er niets
van waarom zinnen en zelfs coupletten
worden afgebroken, zomaar, geen

andere reden dan om ’t ogenschijnlijke
genoegen scheppen in regels
die van circa gelijke lengte het oog
beroeren en dat moet dan doorgaan

voor poëzie, waar zinnen al zouden spreken
de gaten in de wereld zouden dichten
zonder kunstgrepen de zinnen laten zwemmen
zonder de lezer zich zelf redelijk te redden.

Groen laken

Vroeg, misschien wat te laat
Wie ligt al op één oor
Wie haalt mee door
De bar is gesloten
Het biljart is een leeg groen laken
– En zelfs de pinda’s zijn op –
Kijken we elkaar aan
de vraag blijft waar is ons thuis
Het huis is maar een plek
maar als we elkaar omarmen
als we kijken en geen oog hebben
anders dan voor elkaar
als jouw lippen nog proeven
naar zout en bier
– of laat ’t wijn zijn, of een cocktail of wat –
als ik je ruik door je parfum heen
als je me neust
als we dan niet meer spreken
anders dan met tongen
en vingers vol tastzin
en afgebroken woorden
dan zijn we thuis
dan zijn we waar dan ook
maar bij elkaar.

Leef!

Want er is geen tijd
geen tijd om stil te staan
geen tijd om voort te gaan
geen tijd voor nu

De tijd, die is er wel
ongrijpbaar, medegenloos, onzichtbaar
dus maken we tijd
en creëren we momenten
en de mooiste zijn dan weer
als we die tijd
die ongrijpbare, medogenloze, onzichtbare
dan vergeten
er daar dan niet bij stil staan.

Orgas

Het haardvuur knapt
Nog langer brandt de zee
Maar hand in hand
En helemaal als we smelten
Lijkt de tijd wel dood
Helemaal als we even weg zijn
van elkaar.

 
 
 

Wit licht

Wil je me
mateloos, ingetogen
langs de rand
van het zwembad of de branding
Wil je me
als de lotus of joggend
langs het strand of bij de fontein
Wil je me
met huid en haar of mijn gedachten
of alles bij elkaar?
[Om maar niet spreken van mijn ik
en wat ik dan wil]

 
 
 

Afgrond

Weg ga ik
van al te veel
al vrees ik ook wel
alleen over te blijven
met de pijn van het leven
Ik zoek m’n weg
langs de randen van contact
Ik loop langs de weg van spijt.

 
 
 

Laagland

Ons landje, neder landje
is best wel wat
als je kijkt naar geld en kennis
het valt in het niet
als je in ogenschouw neemt
hoe groot de oceanen zijn
dan leven die nederlanders eigenlijk
ook wel weer aan de rand van een vulkaan.

Omarmde [terust]

De woorden zijn nog geen zinnen
verschuilen zich, spelen nog verstoppertje
Ik doe zachtjes aan
Aarzelend klopt één op de deur
van mijn gedachten

Het fluistert van de tijd van onverschrokkenheid
van uit volle macht scheuren op de step
over de brede stoep
mijn ogen open voor de wereld

Het bos van de stad was nog groot
Opa met de eekhoorn op zijn schouder
Ik wist niet dat ik klein was
al wist ik me geborgen.

 

Wel, wel

Nee, nee, ik pieker niet
Alleen, als het donker is
geworden, dan kan mijn hoofd
het niet laten om willekeurig wat
me te binnen te schieten
alles wat bij daglicht dan links
blijft liggen, uiteenlopend
van krokodillen en katten en pyramiden
van de supervisor die vertrekt
en wat ik daar wel niet van vindt
van mijn pa waar ik dan twee van heb
– nurture vs nature –
van banktegoeden en de moed
– onafgemaakte associaties –
van pipo en zijn geschminkte lach
en of dát dan gelukkig maakt
van geloof en onzin en houvast
van regelmaat en reinheid: hoe
– hoe, hoe dan, in vredesnaam –
van de regenboog en de loterij
het geluk en hoe je dat
van lot naar her
en dergelijke
of zo
.

 
 
 

Tandeloos (een kerstgedachte)

sta ik met mijn mond vol tanden
als het jochie in mij vraagt
wat dan wel de zin is
– buiten deze –
van niet alleen maar dit leven
maar ook nog hemel en hel
al dan niet op deze aard

Met een beetje geluk
zo stamel ik
weet je er wat van te maken.