sta ik met mijn mond vol tanden
als het jochie in mij vraagt
wat dan wel de zin is
– buiten deze –
van niet alleen maar dit leven
maar ook nog hemel en hel
al dan niet op deze aard
Met een beetje geluk
zo stamel ik
weet je er wat van te maken.
Wie leeft om te werken is een slaaf
Wie werkt om te overleven is er iets beter aan toe.
Wie werkt om te leven nog wat beter
Wie niet hoeft te werken om te leven, is nog net niet best
En dan heb je ook nog diegenen die voor hun werk leven…
Dan heb je wat omhanden en ben je nog gelukkig ook
En, voordat ik het vergeet, er is helemaal geen recht, geen recht op werk, geen recht op leven zelfs, dat wil zeggen, niet buiten de afspraken en rechten om die we zelf voor elkaar weten te boksen. Rechten, plichten en moraliteit: allemaal van menselijke origine. Niks absoluuts aan. Dat kan zowel verontrustend zijn, als hoopgevend. Hangt waarschijnlijk ervan af hoe je in het leven staat. Wel…
Al is de waarheid nog zo groot
als jij ‘m tot je neemt
is ’t aan jou of je ‘m claimt
of terug verwijst in de schoot
waar de feiten sudderen inderdaad
tot de wereld jou zelf een bloedneus slaat.
Lang geleden
of kort
– het is maar hoe je het bekijkt –
of het allang voorbij is
of het wel lijden was
– of hoezeer –
1968 was het jaar
het jaar waarin ik ter wereld kwam
en de uitkomst
die laat zich raden.
Van vroeger
ben ik weliswaar
Maar ik kwam in een tijd terecht
waar de verwarming reeds ging op gas
waar massacommunicatie al opgeld deed
zij het via krant en radio, een beetje tv
De wereld was nog net en scherp verdeeld
en we waren slechts met vier miljard
Lustig planten we ons voort
waar de dood nog een zekerheidje is
voor zolang als het duurt
en koop ik 13,9 miljoen 5 1/4 inch-floppydisks in 1 x
als het ware.