Kuren

Voor mijn voeten, tussen ons
strekt het water zich uit, zo diep
als hemeltergende bergpieken hoog
zover ik zie, maar zover zie ik niet
dat ik zie wat achter de horizon wacht

Voor mijn voeten speelt de zee
zonder ophouden in beweging
Stilstand hoogstens illusoir.

–

 
 
 

Bedtijd

Een Flipflop tutelde doorheen het gazel
volwelk bazelde hij per glijk
twikkel, dikkel, soterij

Nee, zoeterig van het pateel
voorginder; hij tondeerde
zij versind fluweelde paraat.

–

 
 
 

Verluchtigd

Boven in de boomtoppen kwam ik nog nooit
ook niet toen ik nog klom; slechts tot het buigen
van de takken waagde ik het. Mijn botten
zijn ook niet hol en vleugels heb ik
alleen in mijn dromen als ik uitkijk naar jou.

–

 
 
 

Schier

Als het laatste zonlicht van de dag
over de toppen speelt van geringe golven
van het meer dat zich uitstrekt voor mijn ogen
een baan van licht trekt
waarover ik zomaar weg vlucht
van hier naar daar
om jou wat daarvan aan te reiken
licht jouw lippen te beroeren
licht te ademen in jouw gemoed
dat de nacht vergeven is van sterren.

–

 
 
 

Nachttijding

Het is zo vroeg nog niet
of ik kan het niet laten:
te besluiten met een goedenacht
en dat die dan wel weer eindigt
in een eindeloos ochtendgloren
waar we naar elkaar reiken bij daglicht
ook bij daglicht.

–

 
 
 

Opgloeiend vuur

We aten buiten. Pasta. Veel knoflook
In de zon gezeten vervaagden de anderen
om ons heen, hun geroezemoes
loste op in jouw mond, in jouw ogen
en later bij zonsondergang aten we
en dronken we en smulden van elkaar
Aardbeien wachtten ons in de morgen.

–

 
 
 

Voor rozen is het nog geen tijd

Het valt wit. Het ligt
van hoog gekomen en van heinde
en ver. Er zit
iets in van adem
die allang vervlogen is

Ik adem uit; wolkjes voor mijn zicht
knerpende stappen
door stilte omgeven, wij zijn
in stilte bij elkaar

Voor rozen is het de tijd nog niet.

–

 
 
 

Koud

Het strand is, buiten mij, zo leeg als wat
Ik sta en staar over de zee, de mist
hangt voor mijn ogen, zonet
zag ik nog haar voetstappen in het zand.

–

 
 
 

Hagel, hartzeer

Even tikte de hagel op de ruiten
van zover gekomen
Tikkerdetik; ook al heb ik geen weet
van de kou, die ten grondslag ligt
aan de waterdruppels die mij deden
opschrikken, gekoesterd door de warmte
van de CV
slechts van de CV
in plaats van jouw armen
in plaats van jouw warmbloedig lijf.

–

 
 
 

Die pot met goud

Die vlinder fladdert een eind weg
Keert steeds terug in mijn buik
Het is er maar één, maar
met wijde vleugels en getekend
met veredeld licht van zon en maan
is de regenboog er niets bij

en die pot met goud kan me worden gestolen.

–