Zomerpassage

Het zonlicht weerkaatst op de golfjes
De verkoelende zachte zomerwind
laat mij dromen van de nacht
waar we samen dromen
van de voorbije dag
dat het zonlicht weerkaatste
op de golfjes van de zachte zomerwind.

–

 
 
 

Van de zomer

Het kabbelt, het water, aan
het wateroppervlak, dat in de zon
onmerkbaar vervluchtigt. Ik zweet
me het rambam en laat het
van me afspoelen in het nat
en jouw mond, jouw hart
zet me meer in vuur en vlam.

–

 
 
 

Onderstroom

Onder de golven blijft het stil
stroomt het gestaag, ik laat
niet af, al ben ik nauwelijks
een garnaal in dat licht bezien

met mijn sprieten voel ik optimaal.

–

 
 
 

Was het maar weer maandag II

Vandaag ben ik nog niet jarig
en de zon glijdt langs mij heen
ik heb deze dag in bruikleen
het is allemaal wat karig

Koffie zet ik uit gewoonte; ik dorst
tenslotte, dat is natuurlijk en brood-
nodig, geeft het alsnog een stoot
wellicht, de avond is nog niet vermorst

en dan is het wachten op de nacht
en hoe die wordt door gebracht.

–

 
 
 

Meerdimensionaal

Fel klaart het op
waar wolkenpartijen een lust
zijn voor het oog; mijn humeur
is navenant getekend; ik zoek
het gat waar doorheen zij in mij
binnen komt, waar wij doorheen
gaan met vleugels gespreid.

–

 
 
 

Dooiaanval

De dooi slaat tegen het raam
Ik zie het aan en onder ogen
hoe het ijs zich verweert
Ik sta er boven, langzaam
wordt het wit voormalig
en tot grijs en bruin gekeerd.

–

 
 
 

Onder de wol

Het bed is droog en warm. Nog wel
De tijd is nog niet aangebroken
voor het nachtzweet. Ik vermoei
mij nog met woorden;de schapen
zijn ontelbaar. Ik laat ze maar
met rust, bij elkaar gekropen in de wei.

–

 
 
 

Opmaat

Lichtvoetig over de snaren
beweegt de strijkstok, meer nog
Geen noten meer
op mijn zang. Ik zweef weg
Het volgende deel wacht.

–

 
 
 

Als vanzelf

Het water stroomt niet vanzelf
Bedrogen aan de beekoever
Ogenschijnlijk gemakkelijk. Begoocheld
door het glinsteren en het ruisen. Stil
neem ik een hoge vlucht in gedachten.
De oorsprong loopt spaak en zo de monding.