Ie wie waait

Het mooie is: in de wolken
kan ik van alles zien, zoals jouw
ogen en jouw lach, jouw haren
de regenboog erbij verbleekt
en de zon slechts schijnt
om je luister bij te zetten
de zee om onze voeten spoelt
val ik voorover en proef het zout.

–

 
 
 

Zoute lippen

Ik proef zout
de zee is niet ver weg
de wind doet mijn ogen tranen
de golven spoelen onveranderlijk aan
aan de kust, ik kus
het wegwaaiend schuim.

–

 
 
 

Versnaperingsdroom

De computer zoemt
in plaats van het insektenleven
op een stille zomerdag in de wei met jou
op het picknickkleed en onder handbereik
de wijn en al het lekkers
dat we hadden mee genomen
maar van de weeromstuit vergaten.

–

 
 
 

Op streek

Zonder nadenken liep ik om
en liet het wenkend perspectief
om toch later, niet gedacht,
de oversteek te wagen
De zon verleidde mij tot streken.

–

 
 
 

Uitgedaagd

Van de hoge ging hij, dat opdondertje
in het zwembad tussen de dorpen
en toen kon ik het niet op me laten zitten
– ik was wel één jaar ouder zie je –
en zo werd ik de kunst van het duiken machtig.

–

 
 
 

Onbestemde dag

Vijf uren slaap
en de zon schijnt
onderhand
Vijf uren slaap
In de vensterbank
zit de kat
Vijf uren slaap
Muziek klinkt door het huis
en vijf uren slaap
maken de dag lang
misschien dat voor de avond valt
ik de dag nog weet te plukken.

–

 
 
 

Betoverd

Als de droom komt
in wakende staat
weet ik niet waar
ik het zoeken moet
van gekkigheid, maar
gelukkig moet ook niets
en dat valt alweer mee.

–

 
 
 

Slik

Uit de diepten, van grote hoogten ook
kwam de grondstof van het slijk
Ik sta er bij stil
maar niet te vaak
Daar is een mens niet op gebouwd.

–