Gestrand, verweerd ligt
daar een brokstuk onbestemd
kleurig in het zicht
te wachten op meer
tijd, het roesten maar doorgaat
zonder ommekeer.
Een brok in de keel
volmondig gezongen werd
ontroering mijn deel.
Strijklicht over je huid
gefilterd door de boomkruinen
buiten zingen vogels
zing ik van binnen
de warmte van onze nacht
ingelijfd door de dag
laat zich nog gelden
als ik je zie
als jij me ziet.
Mijn hart stroomt over, het kan
ook mijn verlangen zijn
dat als een vloed
het tij doet keren
omhels ik mezelf
neem ik je daar in mee
want je woont in mijn hart.
Windstil buiten, mijn gemoed
zo stil niet
ik zie de kleuren, hun verloop
ik trek verder
waar ik liever stil
bleef zitten op een duin
met mijn arm om je heen geslagen.
Op de weg terug
windstil, de nevel, de zoete geur
van bloesem, zoet ook
blijf je in mijn gedachten
naar believen.
–
In de slaap vind ik mijn vergetelheid
laat ik de vragen rusten
Hoeveel nachten nog te gaan
totdat mijn dagen zijn geteld
of van mijn naasten
van de aarde of de zon
totdat die komeet misschien toch valt?
Hoeveel nachten nog
tot het allemaal is vergeten?