Verweerd

Gestrand, verweerd ligt
daar een brokstuk onbestemd
kleurig in het zicht

te wachten op meer
tijd, het roesten maar doorgaat
zonder ommekeer.

 
 
 

Rozig

Strijklicht over je huid
gefilterd door de boomkruinen
buiten zingen vogels
zing ik van binnen

de warmte van onze nacht
ingelijfd door de dag
laat zich nog gelden
als ik je zie
als jij me ziet.

 
 
 

Ultrablauw

In volle zon
dragen ragfijne vleugels
een lichtgewicht; facetogen
zien de wereld van vele kanten
en ik blijf stom op twee benen.

 
 
 

Zeer

Mijn hart stroomt over, het kan
ook mijn verlangen zijn
dat als een vloed
het tij doet keren

omhels ik mezelf
neem ik je daar in mee
want je woont in mijn hart.

 
 
 

Op het wad

Het samenspande:
dat schelpdier, wier, de meeuw liet
een veer, belandde

daarnaast, gedrapeerd
langszij de zee op het slik
door schoonheid bekeerd.

–

 
 
 

In stilte

Windstil buiten, mijn gemoed
zo stil niet
ik zie de kleuren, hun verloop
ik trek verder
waar ik liever stil
bleef zitten op een duin
met mijn arm om je heen geslagen.

 
 
 

Nachtrust

Op de weg terug
windstil, de nevel, de zoete geur
van bloesem, zoet ook
blijf je in mijn gedachten
naar believen.

–

 
 
 

In het voorbijgaan

In de slaap vind ik mijn vergetelheid
laat ik de vragen rusten

Hoeveel nachten nog te gaan
totdat mijn dagen zijn geteld
of van mijn naasten
van de aarde of de zon
totdat die komeet misschien toch valt?
Hoeveel nachten nog
tot het allemaal is vergeten?