Omstandig heden

Zoals je de zon niet kan dwingen
noch de aarde in haar baan
Zo in vruchtbare aarde
je woorden vallen
maar hoezeer ook, het reikt
maar tot zo ver, zo hoog
als het niet wortelt, dat
dat verlangen, dat onvervuld blijft
als het gras wordt weggemaaid
als de voorjaarregens al voorbij
als de kou weer in de lucht
als jij daar, ik hier verzucht.

 
 
 

Stadig

De geluiden van de stad verderop
Het schorre roepen van een fazant
Door de rust bevangen
legt ook mijn verlangen
zich neer bij deze wijdsheid
ook al verlang ik naar nog meer
laat ik maar in het midden
de vraag waar het toe leidt.

 
 
 

Voor even

Het pad ligt open, zo ook de poort
als je de sleutel weet te vinden
of anders gooi je een steen
door het raam

Als jij het bent
dan maakt het niet uit
hoe je binnen komt, binnen
is al wat telt

zodat we samen kunnen vluchten
vliegen op de vleugels van verlangen
naar die plek, een korte wijle lang
om te vertoeven
te proeven van elkaars bestaan.

 
 
 

Wit licht

Wordt alles dan toch toegedekt
het geluid gedempt in sneeuw
het zicht een oogverblindend wit
waar de sporen zich aftekenen
van de stappen die we zetten
twee warmtezoekers in de kou.

 
 
 

Door

Opeens zie ik in een waterplas
een hele wereld aan licht
opduiken op ’t grijze voetpad
vervolmaakt van dichtbij ’t beeld
van de ondergaande zon in de verte
Ik laat er een kiezel in vallen
terwijl de kringen naijlen
ga ik door.

 
 
 

Zinnig

Waarom zoveel woorden
als bloemen zonder kunnen
als bomen tot wasdom komen
als vogels hun vleugels uitslaan
zonder

Ik adem dezelfde lucht
en leef wel zonder meer
misschien wel des te meer
als ik niet meer spreek
als het voldoende is
aan te pakken
stappen te zetten
je aan te kijken

alleen maar dan die letters
alleen maar dan die klanken
als woorden meer zijn
dan slechts zinnen
en het daadwerkelijk zinvol is.

 
 
 

Zeer

Het doet zeer, ook al ben je
nog zo dichtbij in gedachten
Het doet zeer, die afstand
dat we niet lijfelijk de warmte
voelen, niet elkaar proeven
in de ogen kijken
en het zweten
des aanschijns ontberen
Zo zeer
als die droom schuurt
langs de rand van de horizon.

 
 
 

Groots nietig

In het water flonkert
het licht waar ik niet recht
kan inkijken
Twee zwanen met hun jongen
zetten het nog ’s luister bij
Aan de kant, stilzwijgend
ben ik niet meer
dan een speelbal.

 
 
 

Ontwaken

Wil ik je kussen, maar ik laat je nog even
liggen in bed waar je dichtbij ver weg
met gesloten ogen en een adem
die spreekt van rust
je lichaam stil en warm

nog even voordat ook de dag
het dek bij jou afhaalt en je bloot
stelt aan wat in het zicht.

 
 
 

Geen zee te hoog

In de vochtigheid van ons verlangen
verzink ik in jouw schoot, kom ik
boven, jij boven
bewegen we in een golf
en gaan we samen onder
onze monden, ons midden
onze ogen, onze handen
armen, benen
bij elkaar
stellen we de ontknoping uit
totdat wij in elkaar verloren
en nergens meer zijn.