Van lichaam en hart

En toen was je er
uit het niets
en opeens wist ik met lijf en al
hoe het was samen te zijn
en alles te vergeten
al was het voor een moment of wat

Dat was toen
en al ben ik dan onderhand van nadien
mijn hart staat
min of meer open
en mocht je voorbij komen
wie weet
wil ik je wel proeven
wie weet
mag ik ons wel.

Ave verum

Mijn knie – de linker –
heeft er niet echt zin meer in
beweegt het liefste in één vlak
zeker niet zijwaarts

En op mijn lichaam tekenen
zich allengs meer vlekken
af in mijn huid tegenwoordig

Haren vielen al uit
boven op mijn kop
en blijven maar groeien elders
en grijzen in de loop van de jaren

Mijn gebit blijft langzaamaan ook
in gebreke en laat mij kiezen
tussen doorbijten
of een tandartsrekening
die ik gelukkig kan verteren

Met mijn lust kom ik nog wel klaar
Mijn verlangen en de rest
vertrouw ik toe aan spreekwoordelijk papier

Gewend onderhand aan mijzelf
en het ongemak alhier

Misschien, misshien
kan ik het glas heffen
op een moment samen
voor mijn einde der tijden

tot dan blijf ik maar de wereld groeten.

Alles in ogenschouw

Het balkon is daar
en het uitzicht
aan de rand van de stad
– Groningen, het Hoornsemeer –
De zon schuift voorbij
mijn zuidkant en mijn westen
soms verborgen, vaak toch even zicht-
baar, tig fusiebommen zo ver weg
zo groots en zo lang achter elkaar ook nog
dat ik mij verheugen kan
in mijn eigenste warmterekening
waar de rillingen
mij van over de rug lopen
figuurlijk.

Biecht MMXXIV

Veel mensen heb ik niet
om me heen
Natuurlijk, net zoveel als iedereen
op deze ronde aarde

Alleen
wie me dan na staat
en ook nog voor langere tijd
dat is vers twee

Gelukkig
kan ik nog vol schieten
ontvankelijk, ongewapend
te moe om muren op trekken
[ elk nadeel heeft z’n voordeel ]

Het daget

Vandaag ging ik niet alleen
voor de zoveelste dag
sinds ik ter wereld kwam
onder de zon, maar mocht ik
me bijkans baden
in ’t licht, er tegenin kijken
op mijn terugweg
zozeer niet van hot naar her
zij het niet blindelings
maar met oog
voor passanten, boten aan de wal
voor de kalende bomen
paden vol gevallen blad
een enkele vogel die niet gevlogen was.

Gemene deler

Bij gebrek aan
wat lieve woorden zo nu en dan
een kus of wat
een grap die wordt verstaan
gedeelde lach, tranen
al dan niet met tuiten
een fluistering dicht bij het oor
een roep, groet, over straat

wat toch iedereen
wel kent, belieft
Zo verschillend zijn we niet
al zijn we stuk voor stuk alleen
en enig en wat dies meer zij bovendien.

Over kiezen gesproken

Afgelopen vrijdagavond kraakte ik een nootje
en meer dan één
maar één van mijn kiezen
de één na achtertste rechtsbovenaan
daarvan brak een stukje af
– en slikte ik door voordat ik het
in de gaten had –

Mijn tandartspraktijk bied avonddiensten
en na bellen gisteren mocht ik er vandaag
aan geloven: een stukje boren, een stukje vullen

De tandarts van dienst was
een jonge vrouw en in mijn ogen
tijdens het gebeuren
vriendelijk, charmant al
en erna ook nog eens te meer
vielen me haar ogen op
en open gelaat
– ‘stuk’ doet haar tekort

Wanneer zou ik weer mogen?

De schemering zij geprezen

Naar buiten bleek het licht
zo tegen de schemering
– maar ik kon nog goed zien
waar ik heen ging –
onder een lichtgrijze in windstille
lucht die de paden, de bomen
en alles zo maar
deed oplichten in een zacht oranje-roze
dat zich anderzijds niet laat beschrijven
maar mijn gemoed zich aan kon laven

voordat alras het donker de overhand
nam en ik bepakt en bezakt van de dag
huiswaarts keerde
waar niets anders mij wacht
dan mijn gemak.

Zo gewonnen, zo geronnen

O, mijn god
ik heb zoveel
niet gezien, niet ervaren
een hele wereld
al keek ik mijn ogen uit
al gaf ik gehoor aan de roep
dat de wereld aan mijn voeten ligt
en zelfs al deed ik verantwoord
de wereld aan en reisde ik aldus

op mijn sterfbed, met mijn laatste
ademtochten heb ik niet meer
dan één plek en met wat naasten
zeg ik gedag
en laat de wereld
en wie al niet.

Wie niet weg is, is gezien

De zee is nooit ver
des te meer niet
als je met de lichtsnelheid
– al is het in gedachten –
naar de kust gaat
waar de horizon bestaat
uit water en lucht
waar je nietig staat
waar de branding stuk slaat
waar in de wolkenloze nacht
eens te meer
waar klein en groot
tot niets verbleken
in dat al.