Geharde bloemen

Ergens weet ik een schraal veld
verscholen achter muren
waar gras en distels tieren,
enkele bloemen, ik sta versteld

hoe moedig die volhouden, turen
en reiken naar licht, het leven vieren,
keren keer op keer weer terug
totdat de muren het bezuren,
instorten onder het gewicht van tijd
Verscholen plek van kleur en stilte
Neem ik node afscheid.

 
 
 

Vederlicht

Fragiel in felle kleuren
of als nachtvlinders grauw
Niet veel anders zijn wij
die menen de wereld op te beuren
of haar verscheuren
stuk voor stuk in touw
Het einde licht als een vlinder nabij.

 
 
 

Kamerplant

Tientallen
bladeren hartvormig groen
stil en onzichtbaar bewogen
hebben het niet breed.
Toch
groeit die plant heel koen,
als ik zijn behoefte niet verloochen
en water geef bij de vleet.

 
 
 

Ach mens

Dochter die zich verzekerd weet
van mannen bij de vleet
Dochter die een moeder wordt
wederom een wonder van leven
dat in haar buik ontstaat.

Zoon die ’t leven van een man leidt,
steeds op zoek naar volmaaktheid.

 
 
 

Lofzang op schaduw

Middelmatig grijs aangezicht
Wereld gehuld in mist

Te veel wit te fel van overal
Wereld één grote vuurbal

Godsonmogelijk daar te leven
Schaduw vormt het evenwicht
Wereld als een spel gegeven
Op de grens van donker, licht.

 
 
 

Boordevol

Een kei aan ’t ijs ontsnapt,
een kiezel verderop
Een larve die zich tot libel ontpopt,
flonkert vliegensvlug en kort
Een eeuwigheid aan leven

 
 
 

Koninginnedag

Het is hutje-mutje druk op straat
Een feestdag voor het volk vandaag
In hoeverre dat een rol speelt, is de vraag
Men neemt de gelegenheid te baat

Tamelijk vreedzaam wel gaat het toe
Een enkele wanklank en drama daargelaten
Men tapt er lustig op los uit vaten
Strefen naar gezelligheid is de clou.

Daar tromgeroffel, daar een saxafoon of viool
door een groep, een enkeling, of wie nog zit op school
Onbevangen etaleert men zich als amateur of professioneel
Het maakt niet uit, want zo blijkt, ieder is met veel.

 
 
 

Dagelijks brood

Nee, uw geloof wil ik u niet ontzeggen
Wellicht, als u uw licht er over laat schijnen,
dat u uw grenzen gaat verleggen,
uw houvast niet meer elders hoeft aan te lijnen.
Wat is dat “Geef ons heden ons dagelijks brood”,
het idee van een soort moeder of vader
of wat voor afzonderlijke kracht ook of kader,
bij wie u ook maar voor uw noden aanbelt?
Ja, ik geloof niet, ik weet niets zeker
dat is zonder twijfel een bittere beker,
zeker, om leeg te drinken, maar niet zonder nut:
Op het eind sta ik niet voor schut.

 

Maak de zin af

Ha, de hemel, dat zou wat zijn
70 maagden, jongens of meiden
Dat maakt niet uit. Immer hemels
ben je hoe dan ook in de wolken
Of toch een bedoening
van strict heterosexuele aard?

Of een hiernamaals niet te bevatten meer
van er is meer dan tussen hemel
en aarde van de nieuwe oude tijd,
vaag, als het maar hierna is, na
dit leven vol kommer en kwel
dooddoeners die er niet toe doen.

Vertel me,
is er nog een verdieping hoger
boven op de hemel?
Is het meer dan een oneindige wolkenkrabber tot niets?

Leg me nog maar ’s uit
wat ik daarmee moet:
een einde in een fantastisch slot
een zwelgen in niet te bevatten hemels genot.

Ik zou zeggen: kijk om je heen.