Nee, ik geloof niet
in een god of in vergiet
waar de zonde wordt gefilterd
waar ze achterblijft als droesem
te groot om door de gaten
te spoelen, vruchten van de bloesem
ten behoeve van god
mag weten wat voor baten.
Nee, ik geloof niet
in een god of in vergiet
waar de zonde wordt gefilterd
waar ze achterblijft als droesem
te groot om door de gaten
te spoelen, vruchten van de bloesem
ten behoeve van god
mag weten wat voor baten.
Huppel ik van licht naar donker,
van verende tred
tot zwaarmoedig sjokken
Daar hoef ik niet voor te jokken
Straks is het uit met de pret.
Ga ik echter van donker naar licht
dan is het weer een heel ander gezicht
En als je je dan ook nog realiseert
Wat is wat? Dat hangt er van af
in wat voor positie je verkeert.
Het hart stuwt het bloed een heel leven lang
van top tot teen door het hele lijf,
houdt het ’t lichaam in bedrijf
zonder schroevendraaier of een tang.
Of drastisch ingrijpen is dringend nodig
ter reparatie van het aangerichte leed
Dan komen de lui in groen en wit gekleed
Steeds meer pijn en ongemak is overbodig.
Gaan ze met binnen- en buitenkant aan de slag
Blijft de natuur het bevoegd gezag.
Een borst, een bil
een buik met navel, ogen stil
een dijbeen, enkel en voet gestrekt
een half open mond waar de adem
zacht de lippen streelt
Te mooi, te wonderschoon
die samenvallende delen in één beeld,
een veelomvattend eerbetoon.
(oorspronkelijke versie 5 juni ’08)
Een kruiwagen vol geluk
en daar moet ik het mee doen
Voor een rijbewijs had ik nooit de poen
Til ik zelf, rijd ik zelf, mijn dag kan niet stuk.
Wat zal ik vandaag ten grave dragen?
Verliefd op deze woorden
die me met hun gedragenheid bekoorden
had ik niets om te klagen.
Een auto die me sneed
op de fiets: een ongeluk dat ik vermeed
Een klant die zijn frustratie botvierde:
goedgemutst hoorde ik hoe die tierde.
Zou ik mijn geluk in de weg laten zitten
door op mijn beurt te gaan vitten
op al wat me van buiten tegenzit?
Liever rijd ik mijn eigen geluksrit.
Het lage wolkendek
vertoont een open plek
laaghangend blauwgrijs in de avond
een gat een tintje lichter
laag-bij-de-gronds ben ik dichter
reik ik naar de verte terstond.
Eet ik mijn ontbijt in de morgen
denk ik niet aan wie met gezwollen buik
en graatmager noodgedwongen
rondloopt, neerligt, ik ruik
de geur van verse koffie,
frisse lucht in mijn longen
begin ik de dag in pas gewassen kloffie
Het leed in een keurig kistje opgeborgen.
Handenvol bladeren hangen aan de bomen
groen en fris nog op midzomerdag
Moge hun aanzicht u wel bekomen
en hekelt u dat, doet u bij God beklag.
De langste jaardag is weer aangebroken
Lentebloemen zijn al lang verschoten
Nog is het geen tijd de haard te stoken
In de zomerhitte kunnen we ons ontbloten
Wie dit binnen leest bij volop zonneschijn:
Zou buiten niet beter vertier te vinden zijn?
Wil je me begrijpen
lees dan al deze woorden niet
Want ik moet zeggen tot mijn verdriet:
ik ben nog aan het rijpen
en kan mijzelf niet neerzetten
in één verhaal, dat sluit
Maar als je op weet te letten
zit jij met mij in dezelfde schuit.
Uit één stuk gegoten
aan zaad en eicel ontsproten
zoek je aan één stuk door
wat ging teloor
Hoe dan ook al een stuk
geboren voor geluk.