Kriebels (v.1)

De lente nestelt zich in mijn buik
waar vlinders zich beginnen te roeren
laat ik mij met gerust hart vloeren
zwem ik blindelings in de fuik

Al dat leven van jewelste klinkt
mij als zinnige muziek in de oren
weet ik van achter noch van voren
welk oog het meeste blinkt

laat ik mij maar gaan, op sleeptouw
nemen door deze, gene of mij zelf
dan krijg ik maar af en toe een douw

welk leven ook mijn hart velt
al loopt het giga uit de klauw
dit nu is heden wat er telt.

 
 
 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.