Helaas

Haat slaat, slaat
dood, alles dood
wat er ook maar
aan leven is, wat
de ander ook
maar aan leven deelt
aan beslommeringen van dag tot dag
aan kleine bekommeringen
aan gevoelen en gedachten
aan behoeften
bezijden de waarheid en de leugen
de wereld, een wereld.

Zichtzag

Op een voetstuk
waar ik niet op ben gezet
waar ik loop op plat getreden paden
kijk ik het nog maar ’s aan
en zie ik in het verschiet
niet veel anders
dan de grote dooddoener
de gelijkmaker
van ook dit niemandalletje
waar het genoegen
geheel mijnerzijds is.

Borstig spel

Twee roodborstjes dansten
om elkaar en met elkaar
op de grond
Dood blad stoof op
voordat ze voor mijn nadering
elk een kant opvlogen
– daar in het Sterrebos –
en ik maar met de vraag bleef
of het toch zo zijn mag
dat ze elkaar nog zullen mogen.

Verval, voltooid

Er was eens
een dag om niet te vergeten
een hele vakantie
een geboorte, schooltijden
een eerste liefde en nog zowat
waarvan er één een heuse draak was
om snel te vergeten, maar
ergens altijd in ’t geheugen
bleef en nu pas wegzakt maar
zich nog steeds doet gelden
in onbegrepen woorden en gebaren
– en het is heus niet allemaal naar
wat de klok slaat –
die laatste jaren
weer onbeholpen, zorg behoevend
als een baby, maar
door een heel leven getekend .

Een koud staaltje van

Woorden schieten te kort
waar op dat wereldtoneel
degenen het woord voeren
die het beperken tot het recht
van de sterkste, van het eigen
gelijk, met macht omgord

die geen zier geven
om ’t welzijn anders dan van hen zelf
om van oprechtheid niet te spreken
uit op eigen gewin, garen spinnend
bij chaos, bij verdeeldheid ongeacht
wat dat ook maar kost aan levens
in figuurlijke of zelfs letterlijke zin
zolang ze hun eigen zin
maar krijgen, hebben, houden

Zou je voorbeelden van despoten
willen uit de geschiedenis van de mens
het is weer makkelijk monsters te nemen
de laatste tijd.
.
.
.
.
[ nav. ontmoeting Zelensky met Trump en de zijnen 28 feb. 2025 ]

Overpeinzing over haat

Haat is blind. Maar wat als degene die haat zelf ontkent dat men haat, maar zegt alleen maar te spreken van de waarheid? Of misschien wel toegeeft dat men haat, maar ontkent dat men (ver)blind is, maar juist de waarheid, ’t gelijk, in pacht heeft, méér ten minste dan die anderen die men zo haat.

Haat valt te begrijpen: als jou of je naasten – met wie dan ook je maar als je naaste ervaart of ziet – vreselijks wordt aangedaan, dan is haat, blinde haat, een gewoon menselijke reactie. Vanuit aangedaan (onnoemelijk) leed en pijn kan het makkelijk zover komen.

(Tuurlijk kun je proberen zelfs met zulk onnoemelijke wrede pijn op zo’n manier om te gaan dat je niet vervalt tot haat. Een alternatief, wellicht ook niet de beste manier, voor haat is je terug trekken, steeds verder, of misschien zelfs wel helemaal uit dit aardse bestaan. Er zijn er die “kiezen” voor ’t laatste en dan ook maar zoveel mogelijk anderen willen meenemen: alles om maar “gezien” te worden, om je “gezien” te weten. Je gezien weten, letterlijk of figuurlijk, geeft een gevoel van ten minste énige zin aan en van ’t leven. Nog een manier is praten over de wreedheid met anderen; maar dat praten kan net zo goed opluchten als aanwakkeren: het is maar net hoe, met wie, en wat wordt gezegd, besproken. )

Haat leidt ertoe dat men mensen tot objecten van haat maakt, tot objecten waarvan al het menselijke is of wordt ontdaan, figuurlijk zowel als letterlijk, zodat ook elk mogelijke verwantschap, gemeenschappelijkheid niet meer wordt gezien, niet meer kán worden gezien of ervaren; zelfs als zou het alleen maar het besef zijn dat óók de andere een levend mens is, met allerlei gevoelens, ervaringen en gedachten die elk lid van de menselijke soort wel kent; elk levend wezen van welke soort ook kent, min of meer, veel van dezelfde gevoelens en neigingen, verlangens of driften, als wij mensen.

Toevoeging [14 juni 2025]:  allicht psychologie van de koude grond, maar de reden waarom men zo makkelijk bij onnoemelijk aangedaan leed tot haat kan vervallen – waarbij men de veroorzaker van dat leed tot object maakt, zonder enige menseljikheid – is wellicht, dat het makkelijker te begrijpen valt hoe iets wat niet menselijk is, wat geen medemens is, tot zulke gruwelijkheden kan overgaan, dan te (moeten) begrijpen hoe een mens tot zulke vreselijke, “onmenselijke” daden komt; helaas bewijst de geschiedenis, zelfs de praktijk van dag tot dag, hoe mensen tot daden overgaan die als onmenselijk worden bestempeld, Het menselijke van onmenselijkheid valt moeilijk te verenigen met de behoefte aan zingeving, betekenis en zekerheid….

In memoriam in spe

Gisteren op mijn aanrecht
zat een witte kleine vlinder
– echt waar –
totaal onverwacht, ongedacht
Ik besefte haar (zijn?) aard pas
toen ik ‘r bij de vleugels greep
Wat daarmee aan te vangen in de winter?

Wat voor denken, gedachten
zou die eertijds verpopte rups hebben
en wat voor verlangens enzovoort?
Hoezeer ben ik zelf zo’n vlinder?

Levend wezen. Jazeker
Moest ik bloemen kopen vol nectar?
dat ik haar een lot gunde
dat haar niet beschoren was
en dan ook nog heel alleen

Direct doden is ook zowat
want zo levend
zozeer als mijzelf
hoe verschillend ook

En zozeer als ik dan leef
leeft ze dan toch vast anders
heel anders
en ik hoopte maar
dat de vrieskou buiten
(al was en is het uit de wind)
een zachte dood zou brengen

Of toch een wonder?
Zojuist nog leek ze haar vleugels
– ff checke –
een slag te bewegen
maar het kon ook een windvlaag zijn
{misschien heeft ze wel antivries?]

Wee niet je gebeente

Ik zal voorbij gaan
– over en uit –
één van de weinigen
(maar toch nog veel in absolute zin)
waar niemand een traan over zal laten
aan wie na een tiental, vijftigtal jaren
geen herinnering meer beklijft
zonder nageslacht
met verre familie die echt wel heel ver is
– anders dan in verdwaalde woorden
misschien op het “net” of hoe dat ook bestaat dan

Maar hé, Napoleon, of een Gandhi, of een Jezus
ook zij zijn er niet meer en het zal hun
allemaal worst wezen en zelfs dat dus niet
bij ontstentenis van leven

En dan is er ook nog dat gegeven
dat na een seconde al
niemand adem hapt na verscheiden
en na een eeuw of wat
alleen van de meest bekenden
het gefabriceerde beeld nog voortleeft
– meer of vooral minder –
al zou die zich daarvan omdraaien in ’t graf.

Voorbijgaande aard

Nog steeds ligt hier wat sneeuw
onderbroken door plukken land en gras
en de vele gestrooide straten en trottoirs
– maar mijn voetstappen kraken nog her en der
als ik op weg ga –
bij uitzondering
vergeleken bij het hoge noorden
en het allerdiepste zuiden aan de pool daar
en op die ene plek mag ik
de gele bloemetjes zien van winterakonieten
zo uit de wind
die nog waait uit het oosten.

Laveren

Als ik nu eens mijn wereld
klein maak, zo klein
dat ik verhoudingsgewijs
weer groot ben, zo groot
dat ik ‘r aankan
zolang ik niet vol geraakt
word en met stappen
nog vooruit kan
met een beetje wind
schipperend met volwassenheid.