Adempauze

Eindelijk is het stil, geen geluid
van de straat bereikt mijn oor
het geroezemoes van de dag teloor
is de nacht mijn welkome bruid.

Weet ik het licht aan de andere kant
waar de zon schijnt op de zelfkant
terwijl de wereld doordraait
waan ik me veilig waar de haan niet kraait.

 
 
 

Felix

Onvoorwaardelijk vertrouwen zacht
opgekruld op mijn schoot gekomen
spint – waar zou hij toch van dromen? –
onschuldig, mijn tijger, mijn kat, zijn vacht

wit, een beetje beige en grijs-zwart gekleurd
heeft ie me zonder moeite al vaak opgebeurd.

 
 
 

De beklemming van de broodnodige boodschappen

Als de begogeling verbleekt
het klamme zweet me uitbreekt
Boodschappen zo broodnodig op de schappen
onbereikbaar ver weg en niet te pakken

Daar heb ik echt geen boodschap aan
Monsters zijn het, maak ruim baan
Elk logo, elke kleur schreeuwt me toe,
maakt me stante pede moe

Moet weg, moet weg, moet weg terstond
Zak weg, verwelkom harde grond.

 
 
 

Tamme ganzen, niet zo tam

Gakkend met gestrekte nekken
peddelend door het water vliegensvlug
winnen ze de vijver voor zich terug
met slaande vleugels, wijde bekken
zo koddig en zo tam nog niet,
jagen ze het andere paar daar uit het riet.

 
 
 

Niet enig

Niet enig ben ik in mijn soort
En masse staan we voor de poort,
Beeld en geluid, ze maken ons wijs
hemel op aarde, winkelparadijs.

Bezwangerd door kooplust en in nood,
schappen nemen ons op in welkome schoot
Reikhalzend kijken, armen strekkend, lijf aan lijf,
alleszins een sensueel verblijf

Mooi en Schoon. Fris en Lekker. Onvoorstelbaar Stoer.
Groepssex op de winkelvloer.

 
 
 

Ouderwets respect

Hé, kijk me niet zo aan
Wat moet je?
Heb je het soms tegen mij?
Wat moet je?
Blijf met je poten van mij af
Wat moet je?

Als ik je zien wil
kom ik zelf wel naar je toe
Als ik met je praten wil
bekijk ik dat wel zelf
Als ik zin heb in een potje neuken
roep ik je wel bij me.

Kijk, een nieuw milennium is ontwaakt,
maar slonzigheid en burgerpak,
het is de overeenkomst die mij raakt.