Ouderwets respect

Hé, kijk me niet zo aan
Wat moet je?
Heb je het soms tegen mij?
Wat moet je?
Blijf met je poten van mij af
Wat moet je?

Als ik je zien wil
kom ik zelf wel naar je toe
Als ik met je praten wil
bekijk ik dat wel zelf
Als ik zin heb in een potje neuken
roep ik je wel bij me.

Kijk, een nieuw milennium is ontwaakt,
maar slonzigheid en burgerpak,
het is de overeenkomst die mij raakt.

 
 
 

Tezaam

Bittere woorden stemmen me bitter
Gelukkig nog
zie ik de zwaluwen vliegen door de lucht.
Gelukkig nog
zie ik de rietzoom oplichten bij lage zon.

 
 
 

Buiten de orde

Ik ben nergens meer, maar waar

nog niet zo lang geleden, tot mijn schrik,
zag ik van mij een beeld in spiegelglas
een oogwenk later dan, wat kras,
vulde een ander spiegelbeeld mijn blik.

De grijze massa deinst in afgrijzen terug
een open mond staart me aan wijd open
de ogen zetten het op een lopen
voor een afgrond zonder brug.

Niets van dat al is echter echt,
noch het beeld en noch de knopen
van de zenuwen mag ik hopen
of de chemieën daarmee in gevecht.

Ik ben nergens meer, maar waar.

 
 
 

Een vloek, een zucht

Een opvliegend stel, lui die al te vast geloven,
alsof ze een voorschot nemen op een plaats naast god,
voelen zich machteloos, onzeker, vangen bot,
waar het verlangen zich niet laat doven.

Grond voor twijfel is ondenkbaar.
Zo zet men dan een luide stem op
of wendt men zich af en houdt zijn kop,
zoekt de veiligheid bij elkaar.

Daarin lijken zij toch gelijk,
het gelijk vinden zij aan hun zijde,
zet men elkaar als ongelovigen te kijk

Laten zich beledigen, gaan te keer
ondanks god almachtig, die hun scheidde,
alsof het gaat om lijfsbehoud. God, wat zeer.

 
 
 

Niet alleen

Met verende pas, gezwind vooruit
door de winkelstraat, op zoek naar buit,
dat mijn hart vermag te stelen.
Eenzaam hart. Kan mij wat schelen.