Doodstil houd ik me
De tijd kruipt over mijn huid
Totdat niets anders rest dan de vraag:
waar ben ik gebleven?

Foto's en andere waar
Doodstil houd ik me
De tijd kruipt over mijn huid
Totdat niets anders rest dan de vraag:
waar ben ik gebleven?
Een snaar beroerd
Tonen in de ruimte
Welke hand haar bespeelt
Tien vingers omvatten
maar zoveel muziek
op de toppen van hun kunnen.
Het instrument bekent kleur.
Open, gesloten, welke deur?
Hoe dat nu verder moet
nu die doos van Pandora eenmaal open
onvermoed ze over de aarde lopen?
De wereld, ooit was zij zoet.
Terug alsof er niets is gebeurd
ligt toch echt niet in ’t verschiet
Die als monsters zijn gekeurd
ze zingen gewoon een ander lied.
Tonen, die in de melodie verborgen
zich opeens verheffen daarboven uit
Een ongedacht instrument, de muziek klinkt luid
Zoekend, een nieuwe orkestratie voor de morgen.
Foeilelijk lot is hen beschoren
die in den arme vreemde zijn geboren
Denken zij niet na over de zin
Wanhoop, onbereikbaar begin.
De lente vliegt mij aan
Ternauwernood houd ik het droog
na een winter die er niet om loog
Zo gewend in de kou te staan
Verrassen mij kleur en vogelzang
en niet te versmaden korte rokken
wapperende haren, vrije lokken
fantasievolle illusies, ben ik bang
De zon schijnt en verwarmt dan wel weer
maar ben ik elders met mijn gedachten
dan schrijnt die vuurbal evenzeer
Weet ik van hen die lachten
van hen die wachten op een ommekeer
Het licht verzamelt zacht haar krachten.
Kom nu eens in mijn armen
en laat mijn hart je verwarmen
dat klopt genoeg voor twee
de rivier, zij sleurt ons mee
we overleven met geluk
keien en woeste baren
gaan we een stuk, stuk
gaan we ieder dan ons weegs
wanneer de dood ons scheidt
zonder diploma x wijd en zijd.
Doe mij maar mijn kat
die zich vlijdt in mijn nek
zo zeker als wat
Dat is toch niet gek.
Als de liefde plots ontsteekt
het vertrouwde niet tegen de hunkering opweegt
afgronden zich openen
al het andere bij dat laaiend vuur verbleekt
moet ik toch blijven geloven
dat we kunnen vliegen door de eindeloosheid.
Zo rond het midden van de nacht
het jaar 2010 mij toelacht
– ha, ha, wie ’t laatst de tanden bloot –
meer van ’t zelfde in de schoot
Of er zou een lot uit de loterij
Geld is niet waar ik aan lij
Hier is ’t winters, daar is ’t zomers
Stuk voor stuk dagloners
De eeuwigheid is niet te koop
De tijd neemt met ons haar loop.
In het licht van de zon
en wat dan al niet:
een Vergeetmenietje
godallemachtig groot
in de wereld van eigen makelij.