Raar maar waar

Loop ik in 7 sloten tegelijk,
ben ik 7 benen rijk.
Een freak, een monster en een dinges
rijp voor het Book of Records van de Guinness,
een paar avonden op de buis
en wellicht wat u-tube ruis,
apart en beter dan de rest,
vliegt er ééntje uit het koekoeksnest.

Het doet mij echter zeer verdriet,
een koekoeksnest, dat zie je niet.

 
 
 

Maak de zin af

Ha, de hemel, dat zou wat zijn
70 maagden, jongens of meiden
Dat maakt niet uit. Immer hemels
ben je hoe dan ook in de wolken
Of toch een bedoening
van strict heterosexuele aard?

Of een hiernamaals niet te bevatten meer
van er is meer dan tussen hemel
en aarde van de nieuwe oude tijd,
vaag, als het maar hierna is, na
dit leven vol kommer en kwel
dooddoeners die er niet toe doen.

Vertel me,
is er nog een verdieping hoger
boven op de hemel?
Is het meer dan een oneindige wolkenkrabber tot niets?

Leg me nog maar ’s uit
wat ik daarmee moet:
een einde in een fantastisch slot
een zwelgen in niet te bevatten hemels genot.

Ik zou zeggen: kijk om je heen.

 
 
 

Afstand

In de verte raast het verkeer
verder weg het ruisen van de zee, gaat tekeer
Ik hoor het ruisen van de regen
en de wind door het bos
vehikels rollen over de wegen
vastgeklonken aan wielen gaan ze los

Het verlangen, het laat zich niet intomen,
om me nietig te voelen en groots
de golven te zien rollen over de branding
voordat ze aan mijn voeten tot rust komen
zich uitspreiden in zachte landing
Vind ik daar mijn loods, niet voetstoots.

 
 
 

Niet helemaal hier en nu

Opgesloten in eigen kring
in zelfgekozen verbanning
voelt men zich soms meer
verwant met de geboorteplaats
van hun ouderen
dan de plaats waar men tegenwoordig
een halfslachtig leven leeft.

 
 
 

Adempauze

Eindelijk is het stil, geen geluid
van de straat bereikt mijn oor
het geroezemoes van de dag teloor
is de nacht mijn welkome bruid.

Weet ik het licht aan de andere kant
waar de zon schijnt op de zelfkant
terwijl de wereld doordraait
waan ik me veilig waar de haan niet kraait.

 
 
 

Felix

Onvoorwaardelijk vertrouwen zacht
opgekruld op mijn schoot gekomen
spint – waar zou hij toch van dromen? –
onschuldig, mijn tijger, mijn kat, zijn vacht

wit, een beetje beige en grijs-zwart gekleurd
heeft ie me zonder moeite al vaak opgebeurd.

 
 
 

De beklemming van de broodnodige boodschappen

Als de begogeling verbleekt
het klamme zweet me uitbreekt
Boodschappen zo broodnodig op de schappen
onbereikbaar ver weg en niet te pakken

Daar heb ik echt geen boodschap aan
Monsters zijn het, maak ruim baan
Elk logo, elke kleur schreeuwt me toe,
maakt me stante pede moe

Moet weg, moet weg, moet weg terstond
Zak weg, verwelkom harde grond.