Koninginnedag

Het is hutje-mutje druk op straat
Een feestdag voor het volk vandaag
In hoeverre dat een rol speelt, is de vraag
Men neemt de gelegenheid te baat

Tamelijk vreedzaam wel gaat het toe
Een enkele wanklank en drama daargelaten
Men tapt er lustig op los uit vaten
Strefen naar gezelligheid is de clou.

Daar tromgeroffel, daar een saxafoon of viool
door een groep, een enkeling, of wie nog zit op school
Onbevangen etaleert men zich als amateur of professioneel
Het maakt niet uit, want zo blijkt, ieder is met veel.

 
 
 

Dagelijks brood

Nee, uw geloof wil ik u niet ontzeggen
Wellicht, als u uw licht er over laat schijnen,
dat u uw grenzen gaat verleggen,
uw houvast niet meer elders hoeft aan te lijnen.
Wat is dat “Geef ons heden ons dagelijks brood”,
het idee van een soort moeder of vader
of wat voor afzonderlijke kracht ook of kader,
bij wie u ook maar voor uw noden aanbelt?
Ja, ik geloof niet, ik weet niets zeker
dat is zonder twijfel een bittere beker,
zeker, om leeg te drinken, maar niet zonder nut:
Op het eind sta ik niet voor schut.

 

Meten is weten, maar zonder meer

We turfen en meten heel wat af,
proberen zo te scheiden het koren van het kaf,
maar vergeten de beperkingen van de maatstaf
Het oorspronkelijk doel blijft zo veraf

Zoveel dingen als je meet,
het verband is wat men al te gauw vergeet
Wie zegt dat het belangrijkste waar het om gaat
iets is wat zich makkelijk in percentages meten laat?

Om maar niet te spreken van objectiviteit
Kiest men alleen voor wat simpel lijkt,
daaronder kan vallen, wat kan worden geijkt
Nu vraag ik me af: Waar dat toe leidt?

 
 
 

Papier hier

Geen oerwoud hier te lande
Kaalslag bracht er zand en heide
en zelfs daarvan rest alleen cultuurgoed

Rest een oerwoud van regels aan recht gevat
om recht te doen aan de gulden regel
van gelijke monniken, gelijke kappen
dat verzandt in gemier
advocaten en juristen zijn de woudlopers
van dode letters op papier hier.

 
 
 

Maan maant me

In het licht van de nacht,
woorden vergezellen me als de wind,
angst verblindt mijn ogen,
sluit mijn oren af,
houdt mijn hart gevangen,

wil ik wel licht,
maar ben bang voor de schaduwen.

 
 
 

Raar maar waar

Loop ik in 7 sloten tegelijk,
ben ik 7 benen rijk.
Een freak, een monster en een dinges
rijp voor het Book of Records van de Guinness,
een paar avonden op de buis
en wellicht wat u-tube ruis,
apart en beter dan de rest,
vliegt er ééntje uit het koekoeksnest.

Het doet mij echter zeer verdriet,
een koekoeksnest, dat zie je niet.

 
 
 

Maak de zin af

Ha, de hemel, dat zou wat zijn
70 maagden, jongens of meiden
Dat maakt niet uit. Immer hemels
ben je hoe dan ook in de wolken
Of toch een bedoening
van strict heterosexuele aard?

Of een hiernamaals niet te bevatten meer
van er is meer dan tussen hemel
en aarde van de nieuwe oude tijd,
vaag, als het maar hierna is, na
dit leven vol kommer en kwel
dooddoeners die er niet toe doen.

Vertel me,
is er nog een verdieping hoger
boven op de hemel?
Is het meer dan een oneindige wolkenkrabber tot niets?

Leg me nog maar ’s uit
wat ik daarmee moet:
een einde in een fantastisch slot
een zwelgen in niet te bevatten hemels genot.

Ik zou zeggen: kijk om je heen.

 
 
 

Afstand

In de verte raast het verkeer
verder weg het ruisen van de zee, gaat tekeer
Ik hoor het ruisen van de regen
en de wind door het bos
vehikels rollen over de wegen
vastgeklonken aan wielen gaan ze los

Het verlangen, het laat zich niet intomen,
om me nietig te voelen en groots
de golven te zien rollen over de branding
voordat ze aan mijn voeten tot rust komen
zich uitspreiden in zachte landing
Vind ik daar mijn loods, niet voetstoots.

 
 
 

Niet helemaal hier en nu

Opgesloten in eigen kring
in zelfgekozen verbanning
voelt men zich soms meer
verwant met de geboorteplaats
van hun ouderen
dan de plaats waar men tegenwoordig
een halfslachtig leven leeft.