ah, de zoetheid van sentiment, verlangen

naar de kleuren lila, mintgroen, oranje en geel,
naar een vloerbedekking van kokos tegels,
een houten salontafel met zwarte pootjes
een gietijzeren zwarte kachel
de koffiebonenmaler [ toen juist goedkoper nog ]
een balkon met uitzicht
op een voor de kleuter onmetelijk groene wereld
met zandbak, en de waslijnen,
vissen met opa
– als ik met oma een ijsje haalde bij de salon in ’t park
deed opa – hoe wreed ook – een visje aan mijn haak
[ hoorde ik dan weer een eeuwigheid later ] –
aan de crèche denk ik liever dan niet terug
[met de geur van doorgekookte kool]
ondanks de ligakoek
Geborgen, al verstopte ik me onder dekens
bang voor de wereld in het donker

Leedwezen

om het minste of geringste
blijk van medeleven, meeleven
dat onder ogen komt
dan vol schieten
een beetje meer of minder
vanaf de zijlijn
vanaf de zelfkant
wankelmoedig.

Van de straat

Volgens mij zag ik er zelfs twee
op de weg terug in ieder geval één:
een kleine Grote bonte specht
zwart en wit met rode stuit

Een klein opvallend moment
in een oogwenk van geluk
gesproken, maar rood
is ook de wijn
en de specht, ook die klopte
deze keer niet.

Voor nu

Langs de oever waar het water
nauwelijks nog lijkt
te stromen
staat het riet te kijk
zonder ook maar door de wind
beroerd, zelfs geen windvlaag
brengt verkoeling in het helle licht
Verderop laten de bomen al hun bladeren los

En ik wil wel huilen
maar mijn ogen blijven droog.

In een vloek en een zucht

Ook in de lente
gaat het leven
niet over rozen
en kruipt het bloed
tot het opdroogt
een spoor achter latend
naar het aangedane vlees
waar geen korting geldt
geen bonus, niks tegoed
en de toekomst bestond
toch al nooit

een hard gelach
kan je wel bezigen, maar liever
zing je
al is het ongehoord.

Nootzang

Och, mocht ik maar een noot zijn
één op de balk van Vivaldi
en van Mozart, Pergolesi en Beethoven
van Schubert en van Brahms
– ik laat me kennen hier –
Wat zou ik een compositie zijn!

Een wereld

die getekend wordt door reclame

Meer! Meer! Meer!
Dit moet je hebben! En dit!
Ik ben geweldig! Lekkerder bestaat niet!
Goed, beter, best! En goedkoop!
Het is geen geld!
Zo kostbaar vind je het nergens! Uniek!

De littekens laten zich raden
tot onze wereld één open wond is.

Een punt, dat is de clou

Wist je het dan niet?
Wat het zou worden, als je
niet wist wat je wilde?

Een dood punt? Ja, dat kon ik
wel bedenken. Bij gebrek aan
hoop, vertrouwen en geloof
en misschien wel liefde ook

wist ik echter niet beter
dan uit armoede bij de dag
te leven, een soort van
kan je zeggen, om niet te zeggen:
overleven tot de toekomst
een tijd dat niet alleen
het hoofd vrij is in zijn denken
maar ook het hart vrijuit kan kloppen

en de mond volmondig zeggen kan:
het leven is niet vergeefs

Eénentwintig maart [dag des oordeels]

Straks komt de lente
weer, zelfs al is die tegenwoordig
allang onderweg, met dank
aan ons velen, die ook nog ‘s
voorbij de pas op de plaats gaan

En je zou het hen wel kwalijk nemen
als je niet in hun schoenen
hetzelfde zou hebben gedaan

uitzonderingen daargelaten:
de fines fleurs, die weten te bloeien
boven het maaiveld
maar alsnog de zomer niet brachten

De oogsttijd laat nog steeds te wensen over.

Joost (Eerdmans) mag ’t weten

Och, we zijn als Nederland maar klein
Wat betekenen we nou op ’t wereldtoneel
Wat wij kunnen: ’t is niet veel
Zo klinkt ’t van rechter zijde, een rookgordijn

Maar als wíj al niet hier in de rijke landen
écht het roer willen omgooien
en slechts met dijkverhogingen willen klooien
zeg dan ook waar we in belanden:

een wereld waar we elkaar slaan
zonder de handen in elkaar
waar de kinderen op drift gaan

en teloor, behalve die van de kleine schaar
die ermee weg komen, erboven staan
De kleine lui: die zijn ermee klaar, de sigaar.