Wee niet je gebeente

Ik zal voorbij gaan
– over en uit –
één van de weinigen
(maar toch nog veel in absolute zin)
waar niemand een traan over zal laten
aan wie na een tiental, vijftigtal jaren
geen herinnering meer beklijft
zonder nageslacht
met verre familie die echt wel heel ver is
– anders dan in verdwaalde woorden
misschien op het “net” of hoe dat ook bestaat dan

Maar hé, Napoleon, of een Gandhi, of een Jezus
ook zij zijn er niet meer en het zal hun
allemaal worst wezen en zelfs dat dus niet
bij ontstentenis van leven

En dan is er ook nog dat gegeven
dat na een seconde al
niemand adem hapt na verscheiden
en na een eeuw of wat
alleen van de meest bekenden
het gefabriceerde beeld nog voortleeft
– meer of vooral minder –
al zou die zich daarvan omdraaien in ’t graf.

Voorbijgaande aard

Nog steeds ligt hier wat sneeuw
onderbroken door plukken land en gras
en de vele gestrooide straten en trottoirs
– maar mijn voetstappen kraken nog her en der
als ik op weg ga –
bij uitzondering
vergeleken bij het hoge noorden
en het allerdiepste zuiden aan de pool daar
en op die ene plek mag ik
de gele bloemetjes zien van winterakonieten
zo uit de wind
die nog waait uit het oosten.

Laveren

Als ik nu eens mijn wereld
klein maak, zo klein
dat ik verhoudingsgewijs
weer groot ben, zo groot
dat ik ‘r aankan
zolang ik niet vol geraakt
word en met stappen
nog vooruit kan
met een beetje wind
schipperend met volwassenheid.

Roltrapconversatie op Valentijn

Zo spontaan is zij wel
– en weet ik veel hoeveel jaren jonger –
dat ze me in het voorbijgaan vroeg
hoe het dan wel ging
deze dag van Valentijn met mijn vrouwke
terwijl ik allejezus al mijn hele leven
allenig daar doorheen ga

En of ik dat dan niet erg vond?
– toen dat misverstand was opgehelderd –
“Ach nee, dat gaat wel”
– Zo hoef ik immers alleen maar rekening
te houden met mijzelf, zonder haar
wie dat dan ook mag zijn
( schoot in een oogwenk voorbij, zoiets) –

En of zij dan iets? Met haar vriend?
(Jawel, bij een Van der Valk)
Terwijl ik ook wel ergens
haar wilde omarmen
om niet te zeggen ‘nemen’
– eventjes.

Vooruitzicht

Zo’n honderdenvijftig jaar
– of vijfhonderd voor mijn part
om van onstervelijk niet te spreken –
dat wilde ik wel zondermeer
mits met m’n natje en m’n droogje
en een gezonde nieuwsgierigheid bovendien
maar allengs taant dat verlangen
en weet ik niet meer wanneer ik
niet van geen ophouden meer wil weten.

Even wel

Zo erg is het niet
dat Sinterklaas toch niet bestaat
een sprookje een sprookje blijkt
als het met geven gaat gepaard

Een verhaal, theater spiegelt
als het goed is
het één en ander voor
wat zich anders niet eenvoudig kennen laat

Verhalen van minder allooi
daar stinkt men in.

Inktzwart teknt op wit

En ik ben niet de enige
die liever geniet
van gele bloemetjes als het nog wintert
niet de enige
die liever geniet
van chocola, van kinderspel, volwassenenspel
van schaduwen door zonlicht geworpen
van een klucht, een voorstelling
van alles wat maar
nabij staat, na staat en laat
vergeten
hoezeer wat groot is en ver
dichter en almaar dichter komt
en zeer doet

Liever heb ik het donker van de schaduw
dan het duister buiten enig licht.

Winterakonieten

Vraagteken

Was het een evenwichtsbalk of een koord
waarover ik vandaag de dag passeerde
met onder mij het water van mijn tranen
wachtend op mijn val, een duik
– dat laat zich raden –
mocht het geringe licht me te machtig
worden en ik hield het niet meer droog

Waar is mama, die veiligheid en warmte
zonder ook maar enig benul
van losse schroeven
laat staan van drijfzand.

Beste

Doe mij maar heel even
bijvoorbeeld van nul tot honderd
zonder rijbewijs
dit leven
hier op aarde, met licht en lucht en water
(en al wat dies meer zij)

waaraan geen waarde valt te geven
buiten die tijd en ruimte om
met een beetje hart
dat leeft
met een traan en lach
in een gedeelde oogwenk.