Het gist onder het oppervlak
De schimmels er welig tieren
Zo de goede smaak verstieren
Ze gaan alras weer uit hun dak
over die die zichzelf tot zegsman koos
Zijn statements: die zijn weer-ga-loos.

Foto's en andere waar
Het gist onder het oppervlak
De schimmels er welig tieren
Zo de goede smaak verstieren
Ze gaan alras weer uit hun dak
over die die zichzelf tot zegsman koos
Zijn statements: die zijn weer-ga-loos.
Het licht is in de dag gekropen
grijs en nat, het deert mij wat
heeft het niet de overhand
ga ik buiten mijn verstand
denk ik gehoekt en buiten zinnen
de tranen, die zijn afgedropen.
Weet je? Vanochtend keek ik naar buiten
zag de wolken spelen met licht
de nevels in mijn hoofd verdwenen
mijn hart open en in dat vergezicht
plaatjes aan de horizon verschenen
Als een bouwvakker hoorde ik mijzelf fluiten.
Veel te lang al hulde ik mij in zwijgen
in fantasie zocht ik mijn vlucht
liet ik de beelden zich aaneen rijgen
maakte ik van mijzelf een klucht
Leerde ik mij kennen vanuit de droom
en de botsing met de werkelijkheid
heeft mij enigszins verrijkt
Nu is het tijd: ik kom op stoom.
Hier, wat zon
Doe maar alsof je ligt
in de luwte van de wind
op de zonzijde van het duin
de zee steeds verder weg klinkt
je één wordt met de warmte
je afdwaalt naar hier en ginder
even van de wereld, een vlinder
die niets meer hoeft
dan de zon alleen.
Wat heeft het ook om het lijf
dat verlangen uit die bodemloze put
te ontsnappen, te landen
in iemands armen en meer
nog in kussen te verdrinken
oeverloos verloren, smeltend
bij de blik die onweerstaanbaar
je laat vliegen met al die vlinders
Zo sterk, al is ’t alledaags.
Malende gedachten, om haar
die ik eerder in mijn hart sloot
woorden daar binnenskamers
blijven in mijzelf en verborgen
onder handbereik van mijn gemoed
smeulen liefde en de lust
levend en wel, ik begroet de tijd
ook al gooit die nog zoveel roet.
Onbedaarlijk ga ik door
onder de schaduwloze lichte dag
achter de hoge sluier van wolken
weet men wel, de zon wacht
naarstig zoek ik in mijzelf
wat schaduw werpen mag
onvergetelijk licht dicht
de wonden met open hart.
Daar waar de onderstroom
aan de oppervlakte
Daar waar de zon
in het poollicht tevoorschijn
Daar waar de walvissen
uit de diepte
Waar de vlinders
vliegen naar de zomer
Wil ik mij voegen
ook al doet het hart zeer
rek ik mij uit naar het licht
met mijn voeten in het donker.
Mijn hart blijft wel kloppen
soms versneld, meestal gestadig
mijn buik ingesnoerd
laat mij geen keuze
dan mij uit te spreken
laat ik zwijgen
van wat ik in gedachten
in mijn hoofd haal
daar schiet de verbeelding
niet te kort.