Als de wolken vliegen
Als de rivier stroomt
Als de zee beukt op de kust
Als je leeft, leef je
zoals de wolk vliegt
de rivier vliedt en vloed
en eb komen en gaan
en de korrel zand gaat
op de wind gedragen
door water gesleurd.
Als de wolken vliegen
Als de rivier stroomt
Als de zee beukt op de kust
Als je leeft, leef je
zoals de wolk vliegt
de rivier vliedt en vloed
en eb komen en gaan
en de korrel zand gaat
op de wind gedragen
door water gesleurd.
Wat kan ermee door
op deze blauwe aardkloot?
Verstand gaat teloor.
Een jaar of dertien, vanochtend
voor me fietsend voor schooltijd:
Zag ik dat nou goed? (Ja) Een sigaret
afwisselend in zijn mond, in zijn hand
achteloos en terloops. Natuurlijk dat
alsof het de normaalste zaak van de wereld is
Zag een toekomst voor hem weggelegd
– in een flits –
in een patserauto en zo meer
terwijl ik hoop op een leven
de buitenkant voorbij.
Op laatste benen
– droegen me altoos zover
Kan ik ze lenen?

Leuk is anders
en geluk, dat is maar hoe je het opvat:
als dat ene moment
– verwaarloosbaar haast, zo kort, zij het intens –
dat het klaar is
(om niet te zeggen gekomen)
of als wat basaal ten grondslag ligt
aan al je doen en laten
al lukt het soms niet
Met dat korte is het snel afrekenen
Dat andere: een samenvatting
van wat wezenlijk is
en je schraagt.
Niet heel ver van de zee
voorbij de duinen waar ik
mijn vliegtuigje katapulteerde
in het vakantiepark
dat weet ik niet hoe groot was
zoals het bos dat we betraden
waar we verdwaalden
en het onweer verontrustte
en ik aandrong als grote kleuter
op toch maar eens die andere weg
na de tweede passage, of de derde
die ons inderdaad weer veilig thuis bracht
naar ons houten huisje in het vakantiepark bij Schoorl.
Altijd leefde ik zomaar ergens
Ik wou dat ik kon leven in mijzelf
De lucht is blauw. De lucht is zwart
Soms istie grijs en de zon kan branden
Het zand aan de zee is onderhevig
aan de wind, aan de zee
Mijn opa was een baken
te lang geleden
in Amsterdam.
Mijn handen neem ik
voor vanzelfsprekend
voor zolang als het duurt
al laat de omloop van mijn bloed
mijn vingers tintelen
evenals – vanzelfsprekend – als
ik aan je denk en met name
je huid, je mond, je ogen
niet in de laatste plaats
en je lach en je tanden
als ik aan je denk
en je zo beroer
dat je ogen, je huid en mond
samenzweren tot dat moment van vergetelheid.